Risicobeoordeling onvoorziene lozingen

Beleidskader

Het beleidskader voor risico's van onvoorziene lozingen naar oppervlaktewater is vastgelegd in het wettelijk aangewezen BBT-document "Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen (pdf, 220 kB)" (CIW 2000).

In 2013 is het beleidskader aangevuld en verder uitgewerkt in de nota “Beoordelingskader restriciso’s van onvoorziene lozingen (RWS, 2013)”. Er wordt momenteel gewerkt aan een update van al deze documenten naar het Handboek MRA. Daarin zal ook de nieuwe beoordeling van lozingen via RWZI’s worden meegenomen.

Uitgangspunten beleid

Bedrijven die stoffen op hun terrein hebben in hoeveelheden boven de drempelwaarde uit bijlage 2 van de CIW 2000 nota, worden als risicovol voor de waterkwaliteit gekenmerkt. Deze risicovolle bedrijven kunnen in de vergunning verplicht worden tot het opstellen van een MRA. In het kader van Brzo 2015 is het opstellen van een MRA altijd verplicht. Onderdeel van de MRA is het uitvoeren van een risicostudie met behulp van Proteus. Daarbij wordt allereerst gekeken of de stand der veiligheidstechniektechniek is doorgevoerd binnen het bedrijf.

Risicobeoordeling van onvoorziene lozingen vindt in 3 stappen plaats:

  • doorvoeren stand der veiligheidstechniek (SVT)
  • aanwijzen risicovolle stoffen/installaties en modelleren restrisico's met behulp van Proteus III
  • beoordelen restrisico's aan de hand van referentiekader.

Stand der veiligheidstechniek

Het verkleinen van de risico's begint bij de SVT, dat wil zeggen het niveau van voorzieningen om onvoorziene lozingen, of de gevolgen daarvan, zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

In 2019 is de stand der veiligheidstechniek omgezet in tabellen per type bedrijfsactiviteit (pdf, 551 kB). Deze tabellen zijn meteen toepasbaar bij het opstellen van Milieurisicoanalyses.

Aanwijzen risicovolle stoffen/installaties en modelleren risico's in Proteus III

Voordat er gebruik gemaakt wordt van Proteus, moet er eerst worden bepaald welke stoffen en installaties bij een bedrijf als risicovol worden beschouwd. Hoe de drempelwaarden tot stand zijn gekomen, ligt vast in de "Beschrijving methode selectie activiteiten ten behoeve van studie naar risico's onvoorziene lozingen (RIZA 1999). In 2013 is er in het beoordelingskader restrisico's onvoorziene lozingen (pdf, 174 kB) nog een weegfactor voor het ontvangende oppervlaktewater aan toegevoegd.

Voorbeeld MRA

Ondanks het toepassen van de SVT blijven er restrisico's bestaan. Deze worden beschreven in een MRA (milieurisico-analyse). Een voorbeeld MRA inclusief de aanvulling voor drijflagen kunt u onder documenten vinden.

Het voorbeeld MRA is in juli 2019 up to date gemaakt. Ook is de zogenaamde C2 controlelijst aangepast aan het voortschrijdend inzicht. Een toelichting op het voorbeeld MRA is separaat beschikbaar.

De wijzigingen in het voorbeeld MRA:

  • structuur van het MRA is verbeterd
  • risico’s voor oppervlaktewater en de RWZI. Dit laatste wordt pas actueel doorgevoerd in de volgende Proteus versie
  • er is nu een eenvoudige inrichting als uitgangspunt genomen
  • R- en S-zinnen zijn nu vervangen door H- en P-zinnen
  • Referentiekader voor drijflaagvormende stoffen is opgenomen
  • Tabellen Stand der Veiligheidstechniek zijn aangepast en uitgebreid
  • Versiebeheer is expliciet gemaakt.

Proteus modellering

In een MRA worden de restrisico's gekwantificeerd met Proteus. Dit model faciliteert en structureert het maken van de milieurisicoanalyse (MRA) en de beoordeling daarvan. Van Proteus is in december 2013 een nieuwe release (III) verschenen. Voor MRA's die na 1 april 2014 worden gemaakt, is het gebruik van Proteus III verplicht.

Beoordelen restrisico's aan de hand van referentiekader

Rijkswaterstaat heeft in 1999 een referentiekader voor de beoordeling van de restrisico's onvoorziene lozingen ontwikkeld en vastgelegd in de CIW-nota uit 2000. In 2013 is de werkwijze bij de beoordeling van de MRA's van onvoorziene lozingen behorend bij het BRZO uitgebreid en vastgelegd in een nota "Beoordelingskader restrisico's van onvoorziene lozingen (RWS, 2013)" Deze nota kan worden beschouwd als een verdere uitwerking van de CIW-nota uit 2000. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het vorige kader, betreffen:

  • vaststellen van een stand der veiligheidstechniek voor het beheersen en opruimen van drijflagen
  • ontwikkeling van een referentiekader voor drijflaagvormende stoffen
  • aanpassen van de weegfactoren
  • standaardiseren en uniformeren van de aanpak bij het aantreffen van verhoogde risico's bij bedrijven.
  • Achtergrondinformatie hierover is te vinden in de documenten: