Lozingsvoorschriften inwendig reinigen of ontsmetten van transportmiddelen

Deze activiteit gaat over het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het inwendig reinigen van transportmiddelen. Denk daarbij aan het reinigen van tanks en tankwagens, het reinigen van vuilnis- en veegwagens. En ook aan vrachtwagens waarin onverpakt vlees is vervoerd.

Het reinigen of ontsmetten van transportmiddelen en werktuigen waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast vallen hier ook onder, maar hiervoor is de pagina: Lozen: inwendig reinigen voertuigen agrarisch aangemaakt.

De voorschriften in deze paragraaf 4.8.1 zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het uitwendig reinigen. Dat is geregeld in een andere paragraaf 3.3.2 van het Activiteitenbesluit. De paragraaf is ook niet van toepassing op het inwendig reinigen van voertuigen bij gespecialiseerde tankreinigingsbedrijven.

Dibo Nederland
Foto:Dibo Nederland, Waardenburg

Vindplaats

§4.8.1. Activiteitenbesluit (AB), artikel 4.103g, 4.104 tm 4.104e.

De activiteit staat in hoofdstuk 4 van het besluit. Daarom gelden de voorschriften alleen voor type A/B-bedrijven. Ze gelden niet voor type C bedrijven. Een inrichting type B moet deze activiteit vier weken voor de start er van melden. Een type C moet hiervoor een vergunning aanvragen of een wijziging aanvragen.

Als type-C bedrijven afvalwater dat vrijkomt bij deze activiteit moet het bevoegde gezag deze lozing regelen in de omgevingsvergunning. Dit geldt voor lozen op de riolering en op de bodem. Bij een lozing in het oppervlaktewater is een watervergunning nodig.

Het Activiteitenbesluit regelt het inwendig reinigen van transportmiddelen uitsluitend bij inrichtingen waar wagens geladen of gelost worden. Bij deze inrichtingen vinden reeds handelingen met de producten plaats die in de wagens worden vervoerd. Men mag verwachten dat binnen deze inrichtingen ook afvalwater ontstaat dat verontreinigd is met de vervoerde producten. Het Activiteitenbesluit biedt dan ook de mogelijkheid om het reinigingswater op dezelfde wijze te lozen als het binnen de inrichting vrijkomende afvalwater van soortgelijke samenstelling.

Soms krijgt men producten in geconcentreerde vorm aangeleverd. Mogelijk kan in die gevallen het eerste inwendige spoelwater als verdunningswater gebruiken, in plaats van het spoelwater te lozen. Bijvoorbeeld als men het geconcentreerde product verdund toepast.

In Staatsblad 2007, nr. 415 is de eerste nota van toelichting (pdf, 24 kB) over deze paragraaf opgenomen.

Verboden en voorwaarden

Inwendig reinigen van vrachtwagens waarin onverpakt vlees is vervoerd:

Voor deze activiteit heeft men alleen de lozing op het vuilwaterriool geregeld. Voor lozingen in de bodem of in een hemelwaterriool moeten initiatiefnemers een maatwerkvoorschrift op basis van Artikel 2.2 Activiteitenbesluit aanvragen.

Voor een lozing in oppervlaktewater is een Waterwetvergunning nodig. De waterkwaliteitsbeheerder is in dat geval bevoegd gezag. Afhankelijk van de keur kan dit met een reguliere vergunning (korte procedure volgens de Algemene wet bestuursrecht).

In het Activiteitenbesluit staat dat men afvalwater waarin dierlijke vetten of plantaardige oliën zitten eerst door een vetafscheiders en slibvangput (volgens NEN-EN 1825-1 en 2) moet leiden. Er bestaat een uitzondering op het verplichte plaatsen van een vetscheider: als dit niet redelijk is gezien de omstandigheden.

Uit de memorie van toelichting blijkt uitdrukkelijk dat het bevoegd gezag van deze mogelijkheid gebruik moet maken. Dit voorkomt dat er onnodig vetafscheiders komen. Wel is dan maatwerk nodig. Wanneer deze lozingssituatie al bestond vóór 1 januari 2013 geldt mogelijk overgangsrecht.

Inwendig reinigen van vuilnis- en veegwagens:

Alleen lozen op riool geregeld (de fragmentlink zelf wordt niet getoond)

Het afvalwater mag niet meer dan 300 mg/l onopgeloste bestanddelen bevatten.

Inwendig reinigen van een transportmiddel waarin betonmortel is vervoerd:

Er zijn drie lozingsroutes mogelijk.

  1. Lozing in een aangewezen oppervlaktewater,
  2. Lozen in een hemelwaterriool, geen vuilwaterriool
  3. Lozen in een vuilwaterriool.

Bij het lozen in een aangewezen oppervlaktewater of hemelwaterriool mag het afvalwater niet meer dan 100 mg/l onopgeloste bestanddelen of meer dan 200 mg/l aan chemisch zuurstof verbruik (CZV) bevatten.

Voor lozingen naar het oppervlaktewater heeft men in de algemene regels verschil gemaakt tussen kwetsbaar en niet kwetsbaar oppervlaktewater. De niet-kwetsbare oppervlaktewateren zijn opgenomen in bijlage 2 van de Regeling bij het Activiteitenbesluit. Deze lijst noemt men de "aangewezen oppervlaktewaterlichamen".

Voor deze activiteit mag een lozing op oppervlakte water alleen als het oppervlaktewaterlichaam hierin staat. Dit betekent dat voor lozingen op andere wateren een waterwetvergunning nodig is.

Bij het lozen op een vuilwaterriool mag het afvalwater niet meer dan 300 mg/l onopgeloste bestanddelen bevatten.

Voor lozingen in de bodem moeten initatiefnemers een maatwerkvoorschrift op basis van Artikel 2.2 Activiteitenbesluit aanvragen.

Inwendig reinigen werktuigen toepassen gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen

Het afvalwater afkomstig van het inwendig reinigen van werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast, mag worden geloosd;

  • op of in de bodem over het perceel waar de gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast , als het gelijkmatig wordt verspreid of,
  • op of in de bodem of in het vuilwaterriool als het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening dat ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen verwijderd en niet meer dan 20 mg/l olie bevatten.

Voor het lozen van afvalwater afkomstig van de activiteit geldt een norm van 20 milligram olie per liter en 300 milligram onopgeloste stoffen per liter. Wanneer niet met preventieve maatregelen kan worden voorkomen dat olie in het afvalwater terecht komt, kan een olieafscheider en slibvangput geplaatst worden. Deze moeten voldoen aan NEN-EN 858. Als het afvalwater wordt geleid door een olieafscheider dan geldt niet de norm van 20 milligram olie per liter, maar van 200 milligram per liter. Het afvalwater moet altijd bemonsterd kunnen worden.

Wanneer een andere lozingsroute wordt gekozen is voor het lozen op;

  • een hemelwaterriool moeten initatiefnemers een maatwerkvoorschrift op basis van Artikel 2.2 Activiteitenbesluit aanvragen.

  • Voor een lozing in oppervlaktewater is een Waterwetvergunning nodig. De waterkwaliteitsbeheerder is in dat geval bevoegd gezag. Afhankelijk van de keur kan dit met een reguliere vergunning (korte procedure volgens de Algemene wet bestuursrecht).

Zuiveringsvoorziening

Een zuiveringsvoorziening voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden is voorgeschreven bij een afvalwaterlozing, waarin deze middelen kunnen zitten. Een zuiveringsvoorziening moet ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen uit het afvalwater verwijderen, goed toegankelijk zijn en zo vaak als voor de goede werking daarvan nodig is worden onderhouden.

Een zuivering is een procesinstallatie. En is een geheel van een aantal buffertanks, eventuele begietingsbakken, filtratiesystemen en leidingen. Het afvalwater wordt hierin gerecirculeerd tot de gewasbeschermingsmiddelen zijn afgebroken in een filter of infiltratiebak.

De zuivering van gewasbeschermingsmiddelen en biociden kan op verschillende manieren. Men kan dit type afvalwater zuiveren met hulp van:

  • biologische technieken
  • fysisch-chemische technieken, zoals actief koolfilter, oxidatie en membraanfiltratie

Biologische zuivering is voor agrarische bedrijven een aantrekkelijke optie voor verwerking van relatief kleine hoeveelheden afvalwater. Denk daarbij aan maximaal 30 m3 ongezuiverd afvalwater per jaar.

Meerdere typen installaties (zoals de Fytobak, Biofilter en Phytobac) zijn aantoonbaar effectief voor de biologische zuivering van dit type afvalwater. Onderzoek heeft aangetoond dat deze systemen gemiddeld voor 95% tot 99% van de gewasbeschermingsmiddelen uit het water verwijderen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handleiding Fytobak en Biofilter; werking, constructie en het gebruik voor afvalwater verontreinigd met gewasbeschermingsmiddelen door WageningenUR/PPO Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit, januari 2013.

Bijzonder is dat er bij een aantal ingezette zuiveringsvoorzieningen uiteindelijk geen lozing meer plaatsvindt, naar de bodem, oppervlaktewater of riool.

Als een biologische zuiveringsvoorziening wordt toegepast, gelden aanvullende eisen:

  • Contact van het afvalwater met de bodem moet worden voorkomen.
  • De zuiveringsvoorziening heeft een bufferopslag en doseereenheid. Daarmee verspreid men het afvalwater geleidelijk en gelijkmatig over het oppervlak van het zuiveringsmateriaal. Deze combinatie zorgt er voor dat de zuiveringscapaciteit  van de installatie niet wordt overschreden.
  • De zuiveringsvoorziening moet voldoende groot zijn voor de behandeling van de afvalwaterstroom die jaarlijks vrijkomt. Op verzoek van het bevoegd gezag moet het bedrijf dit kunnen aantonen met een capaciteitsberekening.

Controleaspecten

Bij inwendig reinigen van werktuigen, waarmee gewasbeschermingsmiddelen of meststoffen zijn toegepast:

  1. Worden voertuigen/werktuigen waarmee gewasbeschermingsmidddelen of meststoffen zijn toegepast gereinigd?
  2. Wordt dit afvalwater via een zuiveringsvoorziening in of op de bodem of in het vuilwaterriool geloosd?
  3. Wordt dit afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem?

Olie-afscheider en slibvangput aanwezig?

In het handboek water is alle informatie over olie-afscheider en slibvangput te vinden. Daar vind u ook informatie over controle aspecten, monstername en informatie over capaciteitsberekeningen en achtergrond informatie over olie-afscheiders en slibvangputten.

Bij inwendig reinigen van vrachtwagens waarin onverpakt vlees is vervoerd, is er dan een Slibvangput en vetafscheider aanwezig?

  1. Nee, dan moet dit zijn toegestaan met een maatwerk op grond van artikel 4.104a lid 3 (als er zeer weinig vrachtwagens worden gereinigd).
  2. Ja, dan voldoet de slibvangput/vetafscheider aan en wordt gebruikt volgens NEN-EN 1825.
  3. Ja, bestaande slibvangput/vetafscheider geplaatst vóór 1 januari 2013, mogelijk is overgangsrecht van toepassing

Vet-afscheider aanwezig?

Specifieke controle aspecten bij eenmalige controle (bij oprichting of verandering van de inrichting of plaatsing van een nieuwe afscheider) en controle op normaal gebruik vind u bij technische voorzieningen/vetscheider. Daar vindt u ook informatie over capaciteitsberekeningen en achtergrond informatie over vetscheiders.