Open teelt

Het Activiteitenbesluit richt zich voor de open teelt op het voorkomen en beperken van verontreiniging van oppervlaktewater door emissies van met name gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen. Bij de open teelt gaat het om het telen van gewassen in de open lucht, waarbij de gewassen in de vollegrond of in substraat staan.

In het Activiteitenbesluit zijn voor de open teelt regels opgenomen voor activiteiteiten als akkerbouw, vollegrondsgroenteteelt, bollenteelt, vollegrondsbloemisterij, fruitteelt en boomteelt, maar ook grasland.

Het voorkomen of beperken van emissies vanaf percelen kan grotendeels worden bereikt door het beperken van de (druppel)drift bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel, het voorkomen van het meespuiten en meemesten van sloten en het beperken van afspoeling en oppervlakkige uitspoeling.

Driftbeperking

In het Activiteitenbesluit zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen. Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is mede bepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. De driftbeperkende maatregelen zijn ook van toepassing op kleinschalige niet-bedrijfsmatige activiteiten, zoals het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in bijvoorbeeld volkstuinen.

Op 1 januari 2018 worden enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit kracht die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermings­middelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. En om het naastgelegen oppervlaktewater beter te beschermen moet per 1 januari 2018 voor granen en grassen een bredere teeltvrije zone van 0,50 meter worden toegepast (voorheen 0,25 meter). Bij toepassing van een driftreductie van 90% in plaats van de minimaal voorgeschreven 75% procent, is het mogelijk om in een aantal gevallen de teeltvrije zone te verkleinen.

Daarnaast wordt in het Activiteiten niet langer een opsomming van specifieke spuittechnieken opgenomen, maar is een doelvoorschrift voor driftreductie opgenomen. In het besluit is opgenomen dat een spuittechniek gebruikt moet worden die de drift met ten minste 75% of 90% reduceert, ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Omdat voor hoge laanbomen nog geen technieken beschikbaar zijn die de drift voldoende reduceren is voor deze teelt een overgangstermijn tot 2021 opgenomen. Voor de fruitteelt is tot 2021 overgangsrecht opgenomen voor gebruik van een vanggewas of tunnelspuit.

Beperking emissie meststoffen

De teeltvrije zone mag niet worden bemest. Hierdoor wordt uitspoeling en afspoeling van meststoffen beperkt. Bij gebruik van korrel- of poedervormige meststoffen is het gebruik van een kantstrooivoorziening verplicht om meemesten van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Bij gebruik van bladmeststoffen in de strook gelegen naast de teeltvrije zone zijn, om drift in de richting van oppervlaktewaterlichamen te beperken, ook driftbeperkende maatregelen zoals driftarme doppen, eisen aan de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitboomhoogte van toepassing.