Lozen afvalwater telen gebouw

De activiteit omvat het lozen van afvalwater dat ontstaat bij het telen of kweken van gewassen in een gebouw (bedekte teelten) anders dan in een kas. Het gaat met name om afvalwater dat ontstaat bij het reinigen van bakken waar in de gewassen worden geteeld en het reinigen van teelt- en oogstruimten. Onder deze teelten vallen onder andere de witloftrekkerij, paddenstoelenteelt en teelt van kiemgroenten, maar ook het broeien van bollen in schuurkassen. Het broeien van bollen in kassen valt onder het telen van gewassen in een kas.

Inhoud

Toepassingsgebied

Substraatmateriaal

De definitie van agrarische bedrijfsstoffen heeft men in Staatsblad 2014, nummer 20 gewijzigd. Als men niet oorspronkelijk plantaardig materiaal gebruikt als substraat of te wel groeimedium, is het geen agrarische bedrijfsstof. Substraat zoals steenwol en glaswol moet men dan ook behandelen volgens paragraaf 3.4.3 op- en overslaan van goederen.

Voorbeelden van een substraat van een plantaardige oorsprong zijn: cocosvezel, veen en potgrond. Potgrond is een verzamelnaam en is een mengsel dat voor een groot deel bestaat uit veen. Afhankelijk van het gebruik wordt veen gemengd met producten zoals boomschors, kokos, compost, zand, meststoffen en kalk. Dit substraat valt daarom wel onder paragraaf 3.4.5 opslag agrarische bedrijfsstoffen.

Vindplaats

De voorschriften voor het lozen van afvalwater zijn opgenomen in artikel 3.75 tot en met 3.77 van paragraaf 3.5.2 het Activiteitenbesluit.

De lozingen zijn geregeld voor riool en oppervlaktewater. Zonder maatwerkvoorschrift (artikel 2.2 Activiteitenbesluit) is het verboden om in of op de bodem te lozen, of in een hemelwaterriool te lozen.

Er gelden voor deze activiteit voorschriften voor de lozing op oppervlakte water. Daarnaast geldt dat men alleen in het oppervlaktewater mag lozen, als er binnen 40 meter geen vuilwaterriool is. Een tweede voorwaarde is dat men op het riool kan aansluiten. In sommige gevallen is wel een vuilwaterriool aanwezig, maar is de capaciteit niet toereikend en dat betekent dat niet 'kan' worden geloosd.

De afstand tot het riool meet men vanaf de kadastrale grens van het perceel. Men moet uitgaan van de kortste lijn waarlangs men afvoerleidingen zonder grote bezwaren kan aanleggen.

De activiteit is geregeld in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Daarom gelden de voorschriften voor type B- en type C-bedrijven. Een inrichting type B en een inrichting type C moeten de activiteit melden.

In de oorspronkelijke tekst van het Activiteitenbesluit is een nota van toelichting (pdf, 117 kB) opgenomen.

Meldingseisen

Een bedrijf dat biologisch teelt, meldt dit aan het bevoegde gezag. Bedrijven mogen alleen zeggen dat ze biologisch telen als ze een Skal-certificaat hebben. Bij een melding zit dan een kopie van het Skal-certificaat. Met een certificaat van de Stichting Skal toont een bedrijf aan dat het biologisch werkt.

De term 'biologisch' is wettelijk beschermd. De Stichting Skal controleert deze. Een bedrijf dat voldoet aan de regels van biologische teelt, maar geen Skal-certificaat heeft mag zich niet biologisch noemen. Als een bestaand bedrijf een Skal-certificaat krijgt is dit een relevante milieuwijziging.

Verboden en voorwaarden

Vuilwaterriool

Als vanwege onvoldoende capaciteit van het vuilwaterriool ook wordt geloosd op oppervlaktewater geldt de voorkeursvolgorde voor lozen. Waarbij eerst de meest vervuilende afvalwaterstromen op het vuilwaterriool worden geloosd.

Lozen op oppervlaktewater

Lozen op oppervlaktewater mag alleen als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool. Ook is de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk meer dan 40 meter (zie ook vindplaats voor uitleg over aansluiten op riool).

Daarnaast mag alleen afvalwater in oppervlaktewater worden geloosd als sprake is van biologische productiemethoden of als bij de teelt geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn toegepast.

Bij het lozen in oppervlaktewater moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • het gehalte aan onopgeloste stoffen is ten hoogste 100 mg/l
  • het gehalte aan chemisch zuurstof verbruik is ten hoogste 300 mg/l
  • het gehalte aan biochemisch zuurstof verbruik is ten hoogste 60 mg/l

Teelt witlof en broei bolgewassen

Door de trekbakken waarin witlofpennen staan voor de groei van witlofstronken circuleert water. Dit water moet men hergebruiken totdat het niet langer geschikt is om als proceswater te gebruiken. Pas daarna mag het bedrijf het afvalwater onder voorwaarden lozen:

  • in oppervlaktewater als sprake is van biologische productiemethoden, waarbij het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 100 mg/l is
  • in oppervlaktewater als bij de teelt geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden zijn toegepast, waarbij het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 100 mg/l is
  • op of in de bodem, waarbij het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem
  • in het vuilwaterriool, waarbij het gehalte onopgeloste stoffen ten hoogste 300 mg/l is

Deze eisen gelden ook voor water dat gebruikt is bij het circuleren van water voor het broeien van bolgewassen.

Overgangsrecht

Bij het lozen van afvalwater in oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond geldt een andere afstandsberekening. De afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van de lozing moet men dan berekenen vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Controleaspecten

  1. Wordt witlof geteeld? Vindt broeien van bolgewassen plaats?
  2. Wordt het proceswater hergebruikt?
  3. Worden ander gewassen geteeld of gekweekt?
  4. Is sprake van biologische productiemethoden?
  5. Worden gewasbeschermingsmiddelen of biociden toegepast?
  6. Hoe wordt geloosd en wordt voldaan aan de eisen?