Aanvraag en voorbereidingsprocedure watervergunning

Op deze pagina staan de aanvraag en voorbereidingsprocedure met betrekking tot de watervergunning centraal. Verschillende onderwerpen komen aan bod:

Aanvragen van een watervergunning

Voor de aanvraag van de watervergunning (en voor de verschillende handelingen in het watersysteem die meldingplichtig zijn) wordt in principe gebruik gemaakt van het Omgevingsloket, hetzelfde loket als waar de omgevingsvergunning kan worden aangevraagd.

Formeel-juridisch wordt een watervergunningaanvraag ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente waar de handeling in hoofdzaak plaatsvindt (artikel 6.15, eerste lid Waterwet). De aanvraag kan ook gedaan worden bij het bevoegde gezag, volgens het beginsel "no wrong door" (artikel 6.15, eerste lid Waterwet). Dat bevoegde gezag zendt in dergelijke gevallen een afschrift van de aanvraag aan B&W. Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag die via het omgevingsloket is ingediend door aan de bestuursorganen die betrokken zijn bij de aangevraagde handelingen. Dit kunnen verschillende beheerders en de provincie zijn. Indien er meer dan een bestuursorgaan betrokken is, wordt door de betrokken bestuursorganen met de zogenoemde samenloopregeling bepaald welk orgaan bevoegd gezag is (artikel 6.17 Waterwet). Het bevoegde gezag bericht de aanvrager dat het de aanvraag in behandeling neemt en welke procedure voor de verlening van de watervergunning zal worden gevolgd (artikel 6.15 Waterwet).

In het Waterbesluit en de Waterregeling is opgenomen hoe de watervergunning moet worden aangevraagd. De aanvraag wordt gedaan via het digitale omgevingsloket bekend onder de naam Omgevingsloket.

Bedrijven kunnen de watervergunning alleen nog digitaal via het Omgevingsloket online aanvragen. Voor burgers blijft het mogelijk om een schriftelijke aanvraag in te dienen. Bij schriftelijke aanvragen moet gebruik gemaakt worden van het aanvraagformulier dat gepubliceerd is op www.omgevingsloket.nl. Uit het Omgevingsloket online kan een formulier op maat worden samengesteld en uitgeprint dat dan vervolgens kan worden ingevuld en ingediend bij het bevoegde gezag (of bijvoorbeeld bij de gemeente die de aanvraag dan door zal zenden naar het bevoegde gezag voor de watervergunning).

Wie kan een watervergunning aanvragen?

Een belanghebbende kan een aanvraag voor een watervergunning indienen. Een aanvrager is belanghebbende, tenzij aannemelijk is dat de vergunning niet kan worden uitgevoerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft hierover meerdere keren uitspraak gedaan (ABRvS van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:375 en eerder de uitspraak van 28 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK1371).

Uit de uitspraken blijkt dat een aanvraag alleen buiten behandeling moet worden gelaten (omdat er geen sprake is van belanghebbendheid) als op voorhand duidelijk is dat de vergunning nooit kan worden uitgevoerd. Het hoeft daarbij niet eens nodig te zijn dat er een rechtsverhouding bestaat tussen de aanvrager en de eigenaar. Voor een bestuursorgaan is ook niet echt relevant, wie de aanvrager is, omdat de Algemene wet bestuursrecht bij de mogelijkheden van toezicht ook de opdrachtgever betrekt. Als er echt iets verkeerd gaat, kan het bestuursorgaan de opdrachtgever aanspreken (artikel 5:1 Awb).

Bijvoorbeeld een bedrijf geeft een aannemer de opdracht om leidingen aan te leggen. Dan is de aannemer belanghebbende bij de beslissing op een aanvraag van een watervergunning om leidingen aan te leggen. Want hij kan dan die leidingen aanleggen. De Waterwet gaat, net als de Wabo, uit van een zaaksgebonden vergunning. Dit blijkt onder andere uit het feit dat een verleende watervergunning ook geldt voor de rechtsopvolgers van de vergunninghouder (artikel 6.24 Waterwet). De vergunning zal dus overgaan naar het bedrijf, zodra de aannemer het werk heeft voltooid en overgedragen aan de opdrachtgever (het bedrijf). Het bedrijf moet hier wel melding van doen aan het waterschap (art. 6.24 lid 2 Waterwet).

Als het waterschap vooraf wil weten wie de opdrachtgever is, dan kan het waterschap daarover een voorschrift verbinden aan de watervergunning.

Procedure

Artikel 6.16 Waterwet bepaalt in welke gevallen de watervergunning moet worden voorbereid volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb):

  • het lozen in een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk
  • het storten van stoffen in zee en
  • het onttrekken van grondwater of infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 van de Waterwet, behalve waar het open bodemenergiesystemen betreft (artikel 6.1c Waterbesluit).

Voor deze gevallen geldt dat een ieder zienswijzen kan indienen op de ontwerpvergunning. De procedure duurt circa zes maanden. Als er een vergunningaanvraag is ingediend voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag is (artikel 6.4 van de Waterwet) mag de vergunning niet worden afgegeven voordat het bestuur van het waterschap in de gelegenheid is gesteld hierover advies uit te brengen (artikel 6.16, tweede lid Waterwet).

In andere gevallen wordt de watervergunning voorbereid met de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze procedure duurt circa 8 weken.

Uitzonderingen op termijnen

Volgens artikel 6.16 Waterwet zijn op de voorbereiding van een beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning de afdeling 3.4 van de Awb en 13.2 van de Wm van toepassing. Hierop kan echter een uitzondering worden gemaakt als dat bij AMvB wordt aangegeven. Hiervoor is artikel 6.1b Waterbesluit bedoeld. Dit artikel is op een later moment aan het Waterbesluit toegevoegd met Staatsblad 2009, 548. Hierin vindt u ook een toelichting op dit artikel.
Daarmee kan voor de in dit artikel genoemde lozingen de reguliere voorbereidingsprocedure worden toegepast. Dat betreft alle inrichtingen in de zin van de Wm, uitgezonderd de Wm- en de Wabo-vergunningplichtige inrichtingen, en lozingen die niet vanuit een inrichting in de zin van de Wm plaats vinden.

Overigens spreekt artikel 6.1b Waterbesluit slechts over de voorbereiding van de watervergunning. De wetgever heeft echter ook bedoeld dat voor een wijziging of intrekking van de watervergunning, voor de lozingen genoemd in dit artikel, de reguliere procedure kan worden toegepast.

Voorschriften en beperkingen

Aan de watervergunning worden voorschriften verbonden, om nadelige gevolgen van de handeling te voorkomen of (gedeeltelijk) weg te nemen. Uitgangspunt daarbij zijn de doelstellingen van de Waterwet zoals geformuleerd in artikel 2.1 van de Waterwet. Naast deze voorschriften kunnen ook voorschriften worden opgenomen waarin onder andere de financiële zekerheid wordt geregeld om de nakoming te waarborgen van de verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning of voor de dekking van eventuele schade die door de vergunde handeling kan worden veroorzaakt aan een watersysteem. Ook kunnen de voorschriften betrekking hebben op het wegnemen of compenseren van nadelige gevolgen voor het watersysteem na het staken van de vergunde handeling. Beide soorten voorschriften kunnen bijvoorbeeld worden toegepast bij nieuwe maar ook bij al bestaande grootschalige grondwateronttrekkingen. Het staken of verminderen van dergelijke onttrekkingen kan grote gevolgen hebben voor de omgeving, door de verhoging van grondwaterstanden die door de onttrekking jarenlang kunstmatig laag zijn gehouden (art. 6.20 Waterwet).

Weigeren van een watervergunning

Op grond van art. 6.21 Waterwet wordt de watervergunning geweigerd als verlening van de vergunning niet verenigbaar is met de doelstellingen van de Waterwet (artikel 2.1 Waterwet). Kort gezegd zijn die doelstellingen:

  1. het voorkomen van overstromingen, wateroverlast of waterschaarste
  2. het beschermen van de chemische en ecologische toestand van watersystemen
  3. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen

Wijziging en intrekken van een watervergunning

Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een vergunning aanvullen of wijzigen (art. 6.22 Waterwet). Ook kan de vergunning worden ingetrokken, indien er binnen drie jaar geen gebruik van is gemaakt. In ieder geval wordt de vergunning ingetrokken als dat nodig is door gewijzigde omstandigheden of vanwege internationale verplichtingen. Het bevoegd gezag moet daarbij wel eerst bezien of aan deze omstandigheden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen door aanpassing van de voorschriften van de vergunning. Bij het wijzigen of intrekken van vergunningen kan onder bepaalde omstandigheden sprake zijn van een verplichting tot vergoeding van de schade die de vergunninghouder daardoor leidt.

Revisievergunning

Via het overgangsrecht van de Invoeringswet Waterwet zijn de al bestaande vergunningen op grond van de oude waterbeheerwetten van rechtswege gelijk gesteld met een watervergunning (mits de vergunningplicht ook bestaat op grond van de Waterwet). Dit kan tot gevolg hebben dat een bedrijf over verschillende watervergunningen beschikt, voor bijvoorbeeld het onttrekken van grondwater, het lozen van afvalwater en het hebben van een lozingsleiding die door of over een waterkering gaat.
Uitgangspunt van de Waterwet is dat er één integrale watervergunning wordt verleend. Om te zorgen dat de watervergunningen die uit het overgangsrecht zijn ontstaan binnen afzienbare tijd ook in één integrale watervergunning worden omgezet, kan het bevoegd gezag bepalen dat een nieuwe watervergunning moet worden aangevraagd voor alle handelingen die behoren tot een samenstel, of ambtshalve overgaan tot het verlenen van een integrale watervergunning (art. 6.18 lid 1 Waterwet). Zo'n vergunning wordt een revisievergunning genoemd.
Het bevoegd gezag moet over het verlenen van een revisievergunning overeenstemming bereiken met de andere bevoegde bestuursorganen.