Beheerplannen

Het Nationaal waterplan en de Regionale waterplannen zijn strategisch en beleidsmatig van aard. Hierin staan de te behalen strategische doelstellingen. In de beheerplannen van de waterbeheerders (Rijkswaterstaat en de waterschappen) staan de voorwaarden en maatregelen om de doelstellingen ook echt te bereiken. Ook voor deze plannen bedraagt de plancyclus zes jaar.

Wat in een beheerplan moet zijn opgenomen is te lezen in het 2e lid van artikel 4.6 Waterwet. De beheerplannen omvatten het watersysteembeheer in brede zin. Het gaat dus om het beheer van oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen, keringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken. Ook het beheer bij calamiteiten maakt onderdeel uit van het beheerplan. Ook is er de mogelijkheid van aanvullende functietoekenning in de beheerplannen. Dit kan als het nationale (voor het beheerplan rijkswateren) of regionale waterplan (voor de beheerplannen van de waterschappen) deze mogelijkheid biedt.

In het Waterbesluit zijn eisen opgenomen over de voorbereiding, vormgeving en inrichting van het beheerplan rijkswateren (door Rijkswaterstaat opgesteld). In de provinciale waterverordening zijn de eisen te lezen over de voorbereiding, vormgeving en inrichting van de waterbeheerplannen van de waterschappen.

Het Beheerplan voor de rijkswateren (het BPRW), wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het huidige BPRW beschrijft het beheer van de rijkswateren door Rijkswaterstaat voor de periode 2016-2021. Het BPRW is opgesteld binnen de kaders van Europese richtlijnen, nationale wetgeving en nationaal beleid.

Het waterbeheerplan van de waterschappen wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur van een waterschap en werd eerder goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Door een wetswijziging, ingegeven door afspraken uit het Bestuursakkoord Water (2011), is het goedkeuringsvereiste vervallen. De nieuwe generatie beheerplannen (2016-2021) hoeft dus niet langer de goedkeuring van de provincie. De veronderstelling hierbij is dat provincies en waterschappen nauw samenwerken bij het opstellen van de onder hun gezag vallende plannen. Waar aan de orde moet een beheerplan afgestemd worden op de beheerplannen van andere beheerders. Bijvoorbeeld als er sprake is of zou kunnen zijn van samenhang tussen de watersystemen (artikel 4.6, 1e lid Waterwet).

De beheerplannen vormen samen met het Nationaal waterplan en de Regionale waterplannen het planstelsel. De gemeente is géén waterbeheerder in de zin van de Waterwet en in de Waterwet is dan ook geen gemeentelijke planfiguur voorgeschreven. In het gemeentelijk rioleringsplan op grond van artikel 4.22 e.v. Wet milieubeheer is opgenomen hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater (zie artikel 3.5 en 3.6 Waterwet).