Oppervlaktewaterlichaam

De definitie van oppervlaktewaterlichaam volgens artikel 1.1 van de Waterwet is: Samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.

Deze begripsomschrijving is in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad over het begrip ‘oppervlaktewater' uit de inmiddels ingetrokken Wet verontreiniging oppervlaktewateren, dat in die wet overigens niet was gedefinieerd.

De Kaderrichtlijn Water (KRW) kent ook een, hiervan afwijkende, definitie van het begrip oppervlaktewaterlichaam (artikel 2): "een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater".

In tegenstelling tot de Waterwet kent de KRW ook een definitie van het begrip oppervlaktewater: "binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren."

Deze definitie was niet geschikt voor overname in de Waterwet vanwege het specifieke karakter, met name wat betreft het gebruik van elders in de richtlijn afzonderlijk gedefinieerde termen als ‘overgangswateren' en ‘kustwater', alsmede de beperking tot de chemische toestand van de territoriale zee en het ontbreken van de exclusieve economische zone. In uitvoeringsmaatregelen van de Waterwet ter implementatie van de KRW kan uiteraard ook voor oppervlaktewaterlichamen worden bepaald dat die maatregelen slechts van toepassing zijn op de onder de kaderrichtlijn vallende waterlichamen.

De definitie van oppervlaktewaterlichaam is door middel van de Invoeringswet Waterwet in de Waterwet opgenomen. De aanvankelijke definitie is daarmee aangepast. Naast de waterbodem en oevers, maken ook op de grond van de Waterwet uitdrukkelijk aangewezen drogere oevergebieden onderdeel uit van een oppervlaktewaterlichaam. (zie desbetreffende onderdeel uit de memorie van toelichting bij de invoeringswet (pdf, 6.3 kB)). Op grond van artikel 6.2, derde lid Waterwet (via de Invoeringswet Waterwet opgenomen), worden deze gebieden voor de toepassing van dat artikel niet gerekend tot het oppervlaktewaterlichaam waarin zij zijn gelegen. In deze drogere oevergebieden is voor het waterkwaliteitsaspect de Wet bodembescherming van toepassing. Als er echter in de drogere oevergebieden kleine wateren (sloten en plassen) zijn gelegen, moeten deze voor de toepassing van artikel 6.2 Waterwet wel worden beschouwd als oppervlaktewaterlichaam en is de Wet bodembescherming op de bodem en oevers van die wateren weer niet van toepassing. Het is niet verplicht over te gaan tot het aanwijzen van drogere oevergebieden.

De meest omvangrijke drogere oevergebieden bevinden zich in het rivierbed van de rijksrivieren. De rijksrivieren worden volgens artikel 3.1 lid 2 Waterwet begrensd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkeringen, of door hoogwaterkerende gronden. De lijn van hoogwaterkerende gronden langs de onbedijkte rivieren omvat het gebied dat eenmaal per 1250 jaar onder water staat. Dit is een veel groter gebied dan het gebied dat van oudsher onder het waterkwaliteitsbeheer van het Rijk valt. De gebieden waar het Rijk geen waterkwaliteitsbeheer voert, maar die wel binnen de lijn van hoogwaterkerende gronden vallen, zijn op de kaartbijlagen bij de Waterregeling aangewezen als drogere oevergebieden. Drogere oevergebieden zijn ook te vinden op andere locaties, zoals in de uiterwaarden langs de bedijkte rivieren, langs het IJsselmeer en in regionale oppervlaktewaterlichamen.

In drogere oevergebieden gelden de regels van de Waterwet over het lozen niet, maar vanuit waterveiligheidsoptiek zijn in deze gebieden wel beheermaatregelen van kracht.


Zie website Helpdesk Water