ZZS-beleid toepassen bij lozingen

De initiatiefnemer is bij de aanvraag verantwoordelijk voor de primaire stoftoetsing met de Algemene BeoordelingsMethodiek (ABM). Dit is belangrijk, omdat de ABM de inspanning en het vereiste BBT-niveau bepaalt. Een bedrijf wil graag vooraf over die informatie beschikken.

Het bevoegd gezag controleert vervolgens de gegevens die het bedrijf aanlevert met de systematiek uit de ABM en het Handboek immissietoets. Daarbij geeft het bevoegd gezag aan of er nog een extra inspanning nodig is om de lozing te beperken. Een bedrijf dat vervolgens de aanvraag doorzet, zonder de benodigde extra inspanning, kan een afgewezen aanvraag verwachten. Een aanvraag die niet voldoet aan BBT moet het bevoegd gezag namelijk afwijzen.

Continu verbeteren is in de ABM concreet gemaakt voor ZZS-lozingen. De ABM geeft aan dat het bevoegd gezag dit als vergunningvoorschrift moet opnemen. Voor inrichtingen die onder algemene regels vallen geldt niet deze plicht tot continu verbeteren bij lozingen van ZZS. De verwachting is dat met ingang van de Omgevingswet het continu verbeteren ook voor de niet vergunningplichtige activiteiten zal gelden.

Van Beleidsdoel naar Aanpak ZZS weren uit de leefomgeving

Algemene regels

Voor lozingen die onder algemene regels vallen, is de inzet dat de verplichting tot continu verbeteren in de toekomst ook in die algemene regels komt te liggen. Aanpassen van algemene regels gebeurt door het Rijk. De lopende vormgeving onder de Omgevingswet voor 2018 is de eerste mogelijkheid voor het vastleggen van deze verplichting. De algemene lozingsregels zullen zoveel mogelijk aansluiten bij de ZZS-aanpak van lucht.

Tot de verplichting is opgenomen heeft het bevoegd gezag alleen de bestaande mogelijkheden die de algemene regels bieden. Alleen tijdens een controle en op initiatief van een bedrijf kan het bevoegd gezag nu constateren dat een bedrijf een ZZS gebruikt. Dit kan eventueel na aanleiding van een melding of een verzoek om verruimend maatwerk.

De normale contactmomenten met bedrijven vormen het moment om een ZZS-lozing te bespreken. In deze gesprekken kan het bevoegd gezag wijzen op de wens ZZS-lozingen actief te verminderen. Tegelijk kan het de mogelijkheden met het bedrijf bekijken. Deze beoordeling vindt plaats met toepassing van de ABM en het Handboek Immissietoets. Met maatwerk kan het bevoegd gezag de lozings-, of gebruiksvoorschriften vervolgens aanscherpen en deze afspraken vastleggen.

Het werken met metalen is een voorbeeld van activiteiten waarbij mogelijke ZZS-lozingen plaatsvinden die nu niet bekend zijn.

Vergunning

Bij vergunningplichtige activiteiten levert een bedrijf informatie aan met hulp van de ABM. Dit maakt duidelijk of het bedrijf een ZZS gebruikt. Het bevoegd gezag moet op grond van de ABM voor vergunningplichtige lozingen zelf in de vergunning een voorschrift opnemen voor continu verbeteren. Dit geldt voor directe en indirecte lozingen.

Het aanvragen van een wijzing van een vergunning biedt de mogelijkheid het ZZS-beleid te implementeren. Hetzelfde geldt voor ambtshalve wijzigingen, al dan niet via een revisievergunning. Het bevoegd gezag voor de lozing kan op dat moment de ABM in die situaties toepassen. Het bedrijf wordt via de nieuwe vergunningvoorschriften verplicht om continu te verbeteren.

Zo is het bedrijf verplicht om elke vijf jaar te rapporteren welke inspanning het bedrijf geleverd heeft om de lozing van ZZS verder te weren. Het bedrijf informeert het bevoegd gezag over:

  • de mate waarin lozingen van ZZS plaatsvinden;
  • de mogelijkheden voor het stopzetten of verminderen van deze lozingen.

Het vereiste detailniveau van de vermijdings- en reductieprogramma’s wordt in de regelgeving niet uitgewerkt. Uit de systematiek van de regelgeving kan men afleiden dat een bedrijf met hulp van de verzamelde informatie daadwerkelijk moet kunnen beslissen over het wel of niet invoeren van de opties voor vermindering van de lozingen. Het detailniveau sluit dus aan bij de wijze waarop bedrijven normaliter hierover besluiten.

In het onderzoek moeten nadrukkelijk ook mogelijkheden ter voorkoming van de lozinge aan de orde komen. Dit onderzoek is inclusief het vervangen van de gebruikte stoffen door minder schadelijke alternatieven of het toepassen van alternatieve productiemethoden.

Een bedrijf kan gebruik maken van onderzoek voor een gehele bedrijfstak of branche, als de vermindering van lozingen van de individuele inrichtingen vergelijkbaar is. Voorwaarde is wel dat het onderzoek inzicht biedt in de meest recente inzichten en mogelijkheden van vermindering van lozingen. De verantwoordelijkheid voor de juistheid en compleetheid van het onderzoek ligt bij het bedrijf.

Nogmaals het bedrijf levert de informatie aan over het lozen van ZZS en welke bron- en minimalisatiemaatregelen hiervoor zijn onderzocht. Aansluiting op de cyclus voor luchtemissies ligt hierbij voor de hand. Evenals aansluiten op de reguliere plan-do-check–act-cyclus van een bedrijf.

Op basis hiervan kan het bevoegd gezag van de directe of indirecte lozing een risicogestuurde inschatting maken. De immissietoets speelt hierin ook een rol.

Voor IPPC-bedrijven geldt overigens dat na aanpassing van de BBT-conclusies het bevoegd gezag een vergunning altijd al aan BBT moet aanpassen.

Opstellen vermijdings- en reductieprogramma ZZS

Bedrijven met emissies van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) moeten een vermijdings- en reductieprogramma opstellen. In dit programma onderzoekt het bedrijf de mogelijkheden voor bronaanpak en reductiemaatregelen. Het opstellen van een plan van aanpak is hiervan een onderdeel.