Meten en beoordelen

De waterbeheerder is op grond van artikel 2.12 Waterwet verplicht elke twaalf jaar verslag uit te brengen over de waterstaatkundige toestand en veiligheid van de in beheer zijnde primaire waterkeringen. Rijkswaterstaat moet, als beheerder van grote rivieren, twaalfjaarlijks verslag uitbrengen waarin moet worden aangegeven in welke mate de rivieren in overeenstemming zijn met de daarvoor door de beheerder op grond van de Waterwet opgestelde legger.

Meten en beoordelen

Hoofdstuk 2 paragraaf 4 van de Waterwet geeft enkele voorschriften over metingen en beoordelingen die door de beheerder moeten worden verricht met het oog op de gestelde normen. Het betreft op dit moment vooral de beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen. Voorschriften voor het meten en beoordelen van de waterkwaliteit worden, in navolging van de normen daarvoor, gesteld op basis van hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.

Beoordeling veiligheid primaire waterkeringen

De beheerder is verantwoordelijk voor een goede waterstaatkundige toestand van een primaire waterkering en deze taak is wettelijk genormeerd door veiligheidsnormen. De verantwoordelijkheid van de beheerder omvat ook het beoordelen van de waterstaatkundige toestand van primaire waterkeringen, inclusief het beoordelen van de veiligheid gegeven de geldende normen. Artikel 2.12 Waterwet geeft voorschriften over deze beoordeling en over het uitbrengen van verslag over de resultaten daarvan aan de toezichthouders van de beheerder.

Op grond van artikel 3.9 Waterwet berust het toezicht op alle primaire waterkeringen bij het Rijk. De wijze van beoordeling van de algemene waterstaatkundige toestand van de primaire waterkering wordt in beginsel overgelaten aan de beheerder. De technische leidraden van artikel 2.6 Waterwet kunnen daarbij behulpzaam zijn. De beoordeling van de veiligheid die door primaire waterkeringen wordt geboden is echter aan wettelijke veiligheidsregels gebonden, te weten de wettelijke veiligheidsnorm, de hydraulische belasting, de technische leidraden en de legger (zie artikel 2.12 Waterwet, vierde lid Waterwet).

De beheerder is op grond van artikel 2.12 Waterwet, eerste lid verplicht twaalfjaarlijks verslag uit te brengen over de waterstaatkundige toestand en veiligheid van de primaire waterkeringen die hij beheert. De beheerder brengt het verslag uit aan de toezichthouder over de primaire waterkeringen, gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten brengen vervolgens, al dan niet tezamen met andere provincies, verslag uit aan de Minister van Infrastructuur en Milieu (art. 2.12 Waterwet, eerste en tweede lid). De Minister zendt deze verslagen van de provincies samen met zijn bevindingen aan de Tweede en Eerste Kamer (art. 2.12 Waterwet, derde lid ).

Als uit de beoordeling door de beheerder zou blijken dat de primaire waterkering niet voldoet aan de daarvoor geldende veiligheidsnorm, of de veiligheid anderszins daar aanleiding toe geeft, wordt door de beheerder in zijn verslag omschreven welke voorzieningen, bijvoorbeeld dijkversterking, hij op welke termijn nodig acht (art. 2.12, Waterwet zesde lid) en uit zal voeren.

Beoordeling grote rivieren

Op grond van artikel 2.12 Waterwet tweede lid, brengt ook de beheerder van de grote rivieren (het Rijk, concreet Rijkswaterstaat) verslag uit aan de Minister van Infrastructuur en Milieu. Dit verslag dient aan te geven in welke mate de rivieren in overeenstemming zijn met de daarvoor door de beheerder op grond van hoofdstuk 5 Waterwet opgestelde legger, mede in het licht van de regels voor het bepalen van de hydraulische belasting en de sterkte die op grond van artikel 2.3, Waterwet eerste lid, bij ministeriële regeling zijn vastgesteld.

Beoordeling overige objecten

Artikel 2.14 Waterwet voorziet in de mogelijkheid om bij of krachtens AMvB of provinciale verordening, al naar gelang het gaat om Rijks- of provinciale normen, regels te stellen over andere door de beheerder te verrichten metingen en beoordelingen. Hierbij kan men denken aan de beoordeling van de veiligheid van niet-primaire waterkeringen waarvoor op decentraal niveau normen zijn gesteld.

Evaluatie veiligheidsnormering

De Minister van Infrastructuur en Milieu moet volgens artikel 2.13 Waterwet periodiek de in bijlage II en III van de Waterwet aangegeven normen voor dijktrajecten op doeltreffendheid en effecten evalueren. Reden hiervoor zijn ontwikkelingen en nieuwe inzichten op het terrein van overstromingskansen en overstromingsgevolgen.