Anja Baks, provincie Gelderland

Je hebt een langetermijnvisie nodig

Anja Baks, KRW-coördinator Gelderland 2009-2015

Hieronder leest u één van de vijf interviews uit Schoon Water in Beeld 2016. Overzicht van de interviews:

Het is een goed moment om terug te kijken op wat er is bereikt en geleerd door de Kaderrichtlijn Water. Op 31 december 2015 is de eerste uitvoeringsperiode afgerond, in 2009 zijn de plannen daarvoor vastgesteld. Anja Baks werkt bij de provincie Gelderland en was vanaf het begin betrokken bij de KRW. Met ingang van de 2e uitvoeringsperiode heeft zijn een nieuwe functie als projectleider/projectmanager aquatisch natuur bij de afdeling Natuur.

Hoe kijk je terug op het werken aan de KRW?

Foto 5 Anja baks kl“We hebben dank zij de KRW veel geleerd, vooral van elkaar. Dat geldt zowel voor de samenwerkingspartners in Rijn-Oost en Rijn-West als voor mij persoonlijk. De KRW vraagt een brede, integrale kijk op waterkwaliteit, die zich over de eigen organisatiegrenzen uitstrekt. Het proces is behoorlijk goed georganiseerd. De KRW is een lange zoektocht geweest, maar nu loopt het goed. Er is meer samenwerking ontstaan tussen Rijk en regio en tussen de regio’s onderling. Tussen de provincies van Rijn-West en Rijn-Oost wordt nu bijvoorbeeld op het gebied van grondwater heel efficiënt samengewerkt. Er is meer respect voor elkaar en meer duidelijkheid over elkaars rollen en verantwoordelijkheden. Niet naar elkaar wijzen, maar met respect voor elkaars rol en cultuur de zaken voor elkaar krijgen. En wat ook belangrijk is: er is ook een groter zelfbewustzijn van de regio ontstaan”.

Wat hebben we geleerd over het werken aan een betere waterkwaliteit?

“We hebben veel meer feeling gekregen voor de problemen rond waterkwaliteit en voor de manier waarop we die kunnen aanpakken. We zijn integraal naar het water gaan kijken. In het begin van deze planperiode waren grondwater en oppervlaktewater toch wel twee aparte werelden, nu is grondwater veel meer integraal onderdeel gaan uitmaken van het KRW-proces. Ook was er nauwelijks kennis van en aandacht voor de vismigratie in de stroomgebieden. Ook dat aspect krijgt nu in Rijn-West de belangstelling.”

We doen het voor ons zelf

“Gaandeweg is er zowel ambtelijk als bestuurlijk meer nadruk gekomen op het feit dat we de KRW voor onszelf, voor Nederland, doen. In het begin was iedereen erg gericht op de maatregelen en de rapportage “voor Brussel”. Dit betreft echter maar 10% van het regionale water in Nederland. Het werken aan de waterkwaliteit in die 90% ‘overige wateren’ mag van mij ook weer wat meer aandacht krijgen, zoals dat was voor de KRW in werking trad. Je moet de aandacht voor het waterbeheer niet uitsluitend beperken tot de KRW-waterlichamen.”

Wat moeten we nog doen?

“Ik hoop dat we in Rijn-West niet alleen naar nutriënten maar ook meer naar bestrijdingsmiddelen gaan kijken. Er is een aantal gebieden, bijvoorbeeld in het Rivierenland, waar we daarmee echt nog aan de bak kunnen.”

“En wat me ook intrigeert is het akkerrandenbeheer en het effect daarvan op de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater. Akkerrandenbeheer hebben we gestimuleerd omdat het een habitat biedt voor insecten. Maar nu lijkt het er op dat het effect niet onverdeeld positief is. De resten bestrijdingsmiddel hopen zich daar op. Infiltreert dit naar het oppervlaktewater? Verder zouden we ook moeten kijken naar de ‘nieuwe stoffen’, zoals humane én dierlijke medicijnresten, vooralsnog inventariserend.”

Kunnen we nog een verdere verbetering halen?

“De doelen voor waterkwaliteit/ KRW hebben we in 2009 met onze toenmalige kennis verantwoord afgeleid . Er zijn, conform de landelijke afspraken, realistische en haalbare doelen geformuleerd. Dit zijn zeker niet de hoogst haalbare. Misschien zijn ze wel te vergelijken met de voormalige ‘basiskwaliteit’ uit de Vierde Nota Waterhuishouding. In de tussentijd hebben we een beter zicht gekregen op het functioneren van het watersysteem en dat heeft in een enkel geval ook gevolgen voor de hoogte van de doelen die gerealiseerd kunnen worden in 2027. Voor een aantal stoffen mogen we de doelen later halen en voor andere zullen we ze later halen, omdat we te maken hebben met naijleffecten, bijvoorbeeld vanuit het grondwater. En bovendien zijn de effecten van alle maatregelen moeilijk in te schatten.

De komende jaren kunnen er ook nog innovatieve maatregelen komen, die een verbetering van de waterkwaliteit tot gevolg kunnen hebben. Een voorbeeld van een positieve ontwikkeling is de toenemende aandacht voor beheer van de bodem. Dit is geen KRW-maatregel maar ik verwacht hier zeker een positief effect van op de waterkwaliteit. En wat zou het effect zijn wanneer we met bijvoorbeeld de agro-industrie afspraken kunnen maken over bijvoorbeeld een “blauw keurmerk”?”

Prikkel tot verbetering

“Wat er nu mogelijk is met de bestaande maatregelen ziet er over 5 jaar misschien heel anders uit. Het is goed als van de KRW-doelstellingen een prikkel tot verbetering uitgaat. Als je alleen kijkt naar wat er met nu bekende KRW-maatregelen kan worden bereikt dan stimuleer je geen innovatie en mis je kansen. De KRW moet geen keurslijf zijn. Je hebt een langere termijn visie nodig.”

Lees ook het interview met Jacqueline Verbeek-Nijhof, voorzitter RBO