Zeerechtverdrag

Het Zeerechtverdrag is bedoeld als een alomvattend juridisch kader voor het gebruik van de oceanen. Hierdoor zijn de regels van het Zeerechtverdrag in het algemeen niet in een zeer grote mate van detail uitgewerkt. In een aantal gevallen bepaalt het Zeerechtverdrag dat nadere regelgeving door onderhandelingen tussen de betrokken staten vastgesteld dienen te worden. Een aantal bestaande verdragen waarbij Nederland partij is, zoals MARPOL of het OSPAR-Verdrag, kunnen gezien worden als een nadere uitwerking van de algemene regels vervat in het Zeerechtverdrag.

Het Zeerechtverdrag bestaat uit 17 Hoofdstukken en 9 Bijlagen. De meeste hoofdstukken van het Zeerechtverdrag hebben betrekking op bevoegdheidsverdeling tussen de kuststaat en andere staten in verschillende maritieme zones. Daarnaast regelen een aantal hoofdstukken specifieke onderwerpen. Zo zijn er hoofdstukken die algemene regels bevatten ten aanzien van de bescherming en het behoud van het mariene milieu en het wetenschappelijk zeeonderzoek. Deze laatste twee hoofdstukken bevatten bepalingen die van toepassing zijn in alle maritieme zones of in specifieke zones.

Voor Nederland als kuststaat zijn de volgende maritieme zones vervat in het Zeerechtverdrag van belang: territoriale zee; aansluitende zone; exclusieve economische zone (EEZ); en continentaal plat. De soevereiniteit van de kuststaat strekt zich uit tot de territoriale zee, waarvan de breedte maximaal 12 zeemijl bedraagt. De belangrijkste beperking op deze soevereiniteit is het recht op onschuldige doorvaart voor alle schepen. Het Zeerechtverdrag geeft aan welke beperkingen dit recht oplegt aan de kuststaat bij het reguleren van scheepvaartverkeer. In de aansluitende zone, waarvan de breedte maximaal 24 zeemijl is, mag de kuststaat toezicht uitoefenen om te voorkomen dat inbreuk wordt gemaakt op regelgeving inzake douane, belastingen, immigratie of volksgezondheid binnen zijn grondgebied en territoriale zee of een dergelijke inbreuk te bestraffen. Tevens kent het Zeerechtverdrag de kuststaat in deze zone bepaalde rechten toe ten aanzien van archeologische en historische voorwerpen. De EEZ en het continentaal plat zijn ruimtelijk en inhoudelijk overlappende zones. Het continentaal plat omvat de zeebodem en de ondergrond, terwijl de EEZ daarnaast ook de bovenliggende waterkolom omvat. Rechten over het continentaal plat kunnen tevens uitgeoefend worden binnen de EEZ.

In de Noordzee is de omvang van het continentaal plat en de EEZ bepaald door de grenzen tussen de buurstaten. Dit is ook het geval voor de zijwaartse begrenzing van de territoriale zee en aansluitende zone van Nederland. De buitengrens van deze zones is door Nederland vastgesteld op respectievelijk 12 en 24 zeemijl.

De EEZ en het continentaal plat geven de kuststaat met name soevereine rechten en rechtsmacht ten aanzien van economisch gebruik van levende en niet-levende natuurlijke hulpbronnen. Dit omvat activiteiten als het opwekken van energie uit het water en de wind. In de EEZ heeft de kuststaat tevens rechtsmacht ten aanzien van de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen; wetenschappelijk zeeonderzoek; en de bescherming van het mariene milieu. De rechten van de kuststaat in de EEZ en het continentaal plat zijn beperkt door het bestaan van de rechten van andere staten in deze zones, bijvoorbeeld ten aanzien van de scheepvaart. Het Zeerechtverdrag legt ten aanzien van de scheepvaart belangrijke beperkingen op aan de kuststaat bij het stellen en handhaven van regels ter bescherming van het mariene milieu.

De rechten en plichten van de kuststaat in de maritieme zones zoals vervat in het Zeerechtverdrag zijn door Nederland in belangrijke mate geïmplementeerd.

(Bron: Noordzeeloket)


Documenten Noordzeeloket

Overheid.nl