Nationaal waterplan

De waterplannen van rijk en provincies geven het landelijke, en regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit in het Nationaal waterplan vastgelegd. Het Nationaal waterplan wordt vastgesteld door ‘Onze ministers', dat wil zeggen de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische zaken (inmiddels: de ministers van Infrastructuur en Waterstaat en van Economische zaken en Klimaat). Het legt de hoofdlijnen vast van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid.

Wat de belangrijkste punten zijn, staat omschreven in het 2e lid van artikel 4.1 Waterwet. Ook de stroomgebiedbeheerplannen, de overstromingsbeheerplannen, het Noordzeebeleid alsook de functies van de rijkswateren maken onderdeel uit van het Nationaal waterplan. Het plan is voor de ruimtelijke aspecten ook een structuurvisie, als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 4.1, 1e lid Waterwet).

De voorbereidingsprocedure van het Nationaal waterplan is opgenomen in hoofdstuk 4 van het Waterbesluit. Hierin staan eisen over de voorbereiding, vormgeving en inrichting van het Nationaal waterplan. Het Nationaal waterplan wordt voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Op het ontwerpplan kunnen dan ook zienswijzen worden ingebracht. Voor de als onderdeel van het Nationale waterplan geldende stroomgebiedbeheerplannen en overstromingsrisicobeheerplannen geldt een extra lange terinzagelegging: iedereen mag binnen zes maanden een zienswijze indienen op die plannen.

De gemeente is géén waterbeheerder in de zin van de Waterwet en in de Waterwet is dan ook geen gemeentelijke planfiguur voorgeschreven. In het gemeentelijk rioleringsplan op grond van art. 4.22 e.v. Wet milieubeheer is opgenomen hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater (zie artikel 3.5 en 3.6 Waterwet).

Het Nationaal waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen. Maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan.

De looptijd van het huidige Nationaal waterplan is van 2016 tot 2021. Het Nationaal waterplan (en alle andere plannen op grond van de Waterwet) worden elke zes jaar herzien. Los van deze frequentie zijn tussentijdse aanpassingen van de plannen mogelijk.