Maatwerk algemene lozingsregels

Met dit pakket aan algemene regels is alleen nog voor een beperkt aantal lozingen vooraf toestemming van het bevoegd gezag nodig. Dit gaat in de vorm van of maatwerk op de algemene regels, omgevingsvergunningmilieu of een Waterwetvergunning. De watervergunning is alleen nodig als de lozing plaatsvind op het oppervlaktewater en deze lozing niet was geregeld in de algemene regel. Bij het opstellen van maatwerk of omgevingsvergunningmilieu voor een lozing op het riool is overleg tussen de rioolbeheerder en de waterkwaliteitsbeheerder aan te raden.

Bij het stellen van maatwerkvoorschriften is artikel 8.40, tweede en derde lid, Wm van toepassing. Kortweg betekent dit dat alleen maatwerkvoorschriften mogen worden gesteld in het belang van de bescherming van het milieu. Het gaat om aanpassingen van de bestaande algemene regels. Aanpassingen die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen.  Of zoveel mogelijk en bij voorkeur bij de bron, te beperken en ongedaan te maken. Onder de bescherming van het begrip milieu, is de kwaliteit van het oppervlaktewater een onderdeel.

Bij het opstellen van maatwerk wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting de voor deze inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toepast (art 2.14, lid 1, onder c, Wabo, via art. 2.22 lid 2 Wabo, via 8.40 lid 3 Wm, via 8.42 lid 2 Wm). Om dit voor lozingen, op oppervlakte water of riool, te kunnen beoordelen moet men gebruik maken van de daarvoor aangewezen BBT documenten. Dit zijn de ABM en de Immissietoets

Maatwerkvoorschriften

De besluiten kennen drie soorten maatwerkvoorschriften:

  1. Een maatwerkvoorschrift op grond van de zorgplicht. In het zorgplichtartikel is aangeven voor welke aspecten een maatwerkvoorschrift mogelijk is. Deze maatwerkmogelijkheid kan niet toegepast worden als het aspect uitputtend geregeld is in het besluit.

Let op, er is ook geen maatwerk op grond van zorgplicht mogelijk als:

  • er wel grenswaarden voor een bepaalde stof bestaan
  • bij het voorschrift niet de mogelijkheid staat om die grenswaarde bij maatwerkvoorschrift aan te scherpen.

Voorbeeld 1
Bij de lozing van grondwater bij ontwatering (artikel 3.2) zijn bijvoorbeeld  maar voor een beperkt aantal parameters grenswaarden opgenomen. Genoemde parameters (ijzer, zuurstof) kunnen alleen op grond van artikel 3.2 geregeld worden. Bevat het grondwater bijvoorbeeld ook nog arseen dan kan dat gereguleerd worden met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.1.

  1. Een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2, lid 3, Activiteitenbesluit. Daarmee heeft men het verbod voor het lozen in een schoonwaterriool of in de bodem op. En beschrijft men de voorwaarden waaronder de lozing mag plaatsvinden.
  2. Een maatwerkvoorschrift waarvoor bij de activiteit in het besluit een mogelijkheid wordt aangeboden. Hierbij wordt in het artikel aangegeven:
    1. in welke gevallen een maatwerkvoorschrift verleend kan worden en
    2. binnen welke bandbreedte voorschriften gesteld kunnen worden.

In artikel 4.74 Activiteitenbesluit kan het bevoegde gezag bijvoorbeeld bij maatwerkvoorschrift een hogere grenswaarde opstellen. Deze mag hoger zijn dan volgens kolom A, van tabel 4.73, maar nooit hoger dan volgens kolom B van deze tabel.

Uitgangspunt is dat terughoudend met maatwerkvoorschriften wordt omgegaan. Veelal zijn goede afspraken met de lozer voldoende. Mocht blijken van niet, dan kan een maatwerkvoorschrift de oplossing bieden. Het argument is dan dat daar de praktisch handhaafbare voorschriften in staan.

Voorwaarden

Sinds de inwerkingtreding van het Waterwet per 22 december 2009 kan het bevoegde gezag niet zomaar toestemming geven voor een lozing in oppervlaktewater. Ook niet met een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit. Dit volgt uit artikel 1.6 van het Activiteitenbesluit. Hierin staat voor welke lozingen het lozingsverbod volgens artikel 6.2 van de Waterwet is opgeheven. De voorwaarden waaraan een lozing op oppervlakte water moet voldoen staan in van toepassing zijnde artikelen van het besluit. Voor alle overige lozingen in het oppervlaktewater is een watervergunning nodig.

Voorbeeld 2
Een type C-inrichting heeft een IBA. En er ligt geen vuilwaterriool. Voor een type C-inrichting gelden de voorschriften uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit: § 3.1.4. Deze gaat over het 'Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie'. Artikel 3.5 wordt genoemd in artikel 1.6, eerste lid, onder b. Het lozingsverbod volgens artikel 6.2 Waterwet is dus opgeheven. In artikel 3.5 staan de voorwaarden waaraan deze lozing moet voldoen. En hier staat dat lozing op oppervlaktewater is toegestaan. Er is dus ook nooit een watervergunning voor nodig. Lid 5 biedt nog wel de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Deze mogelijkheid gaat alleen over de hier beschreven voorwaarden van de lozing.

Voorbeeld 3
Een type C-inrichting heeft een wasplaats voor motorvoertuigen, er ligt geen vuilwaterriool. Voor een type C-inrichting gelden de voorschriften uit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit: § 3.3.2. Deze gaat over 'Het wassen van motorvoertuigen of carrosserie onderdelen daarvan'. In artikel 3.25 van het Activiteitenbesluit is voor de autowasplaats de lozing van het waswater in het vuilwaterriool geregeld, maar de lozing in het oppervlaktewater niet. Artikel 3.25 wordt niet genoemd in artikel 1.6, waardoor het lozingsverbod volgens artikel 6.2 Waterwet nog van toepassing is. De lozing op oppervlaktewater  is dus alleen toelaatbaar met een watervergunning en niet met maatwerk. In dit geval kan dat met een reguliere vergunning (korte procedure volgens de Algemene wet bestuursrecht).

De nota's van toelichting bij het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen wordt het volgende gezegd over maatwerkvoorschriften: