Omgevingsvergunning of Waterwetvergunning

Voor de lozingen die niet direct in het oppervlaktewater plaats vinden is de aanwijzing volgens artikel 2.1, eerste lid Besluit omgevingsrecht (Bor) bepalend. In bijlage 1 van het Bor is aangegeven welke activiteiten vergunningplichtig zijn op grond van de Wabo. Als er bij die activiteiten lozingen plaats vinden zijn die ook vergunningplichtig, dat geldt zowel voor lozen in rioolstelsels, hemelwaterstelsels, als op of in de bodem.

De omgevingsvergunning

In artikel 2.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de omgevingsvergunning geregeld. Het derde lid van artikel 2.1 biedt de mogelijkheid om, bij AMvB aan te wijzen gevallen, van deze vergunningplicht af te zien. Dat gebeurt in artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), dat verwijst naar bijlage I, onderdeel B en onderdeel C van dit besluit. Artikel 2.1, tweede lid, Bor zegt dat in elk geval IPPC-inrichtingen vergunningplichtig zijn, evenals de categorieën aangewezen in bijlage I onderdeel B en onderdeel C van het Bor. Hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit is ook van toepassing op deze vergunningplichtige inrichtingen en met ingang van 1 januari 2013 ook op IPPC-inrichtingen. Deze inrichtingen zijn dus Wabo-vergunningplichtig, maar als zij activiteiten uitvoeren als genoemd in hoofdstuk 3 van Activiteitenbesluit, gelden daarvoor de algemene regels van dat besluit en kunnen hiervoor geen voorschriften in de vergunning worden opgenomen. Zie ook bij Adviesrecht van de waterbeheerder.

Voor de komst van de Wabo, per 1 oktober 2010, was de Wm-vergunningplicht vastgelegd in artikel 8.1 Wm (dd. 30-9-2010). Het eerste lid betrof de IPPC-inrichtingen en het tweede lid verwees naar bijlage 1 bij het Activiteitenbesluit. De Wm-vergunning is van rechtswege omgezet in de omgevingsvergunning en voor bijlage 1 van het Activiteitenbesluit (dd. 30 september 2010) moet nu bijlage I, onderdeel B en onderdeel C van het Bor gelezen worden.

Watervergunning voor lozingen

Directe lozingen in het oppervlaktewater en lozingen direct op een zuiveringtechnisch werk zijn in beginsel vergunningplichtig op grond van de Waterwet (artikel 6.2). In een aantal besluiten wordt voor verschillende lozingen de vergunningplicht opgeheven. Dat betreft de volgende directe lozingen:

  1. de lozingen genoemd in artikel 1.6 van het Activiteitenbesluit
  2. de lozingen genoemd in artikel 1.3 van het Besluit lozen buiten inrichtingen
  3. lozingen vanuit particuliere huishoudens want die worden geregeld met het Besluit lozing afvalwater huishoudens
  4. lozingen die vallen onder het Besluit bodemkwaliteit
  5. lozingen waarop het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart van toepassing is

Voor overige directe lozingen is een watervergunning noodzakelijk. Zie ook: de watervergunning.

Met de komst van het Besluit lozen buiten inrichtingen, per 1 juli 2011, is het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten (dd. 30 juni 2011) ingetrokken en zijn de voorschriften voor deze activiteit opgenomen in het Activiteitenbesluit (3.6a en 3.6b) en het Besluit lozen buiten inrichtingen (artikel 3.10 en 3.11). Agrarische lozingen die werden geregeld met het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en het Besluit glastuinbouw, zijn met ingang van 1 janauri 2013 opgenomen in het Activiteitenbesluit en dan dus ook genoemd in artikel 1.6 van dat besluit.

Toetsingskader waterkwaliteit

De toetsingskaders voor de beoordeling van watervergunningen en maatwerkbesluiten voor het lozen van stoffen zijn vernieuwd in verband met de implementatie van de kaderrichtlijn water. Zie Gevolgen voor individuele besluiten op grond van de Waterwet.