Planstelsel

Het planstelsel zoals dat in hoofdstuk 4 van de Waterwet is opgenomen kent waterplannen en beheerplannen.

  • De waterplannen van Rijk en provincies geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit het Nationaal waterplan en voor de provincies zijn dit de regionale waterplannen. Het Nationaal Waterplan bevat ook een samenvatting van de vier stroomgebiedbeheerplannen en van het programma van maatregelen die zijn uitgewerkt in de plannen van provincies, waterschappen en gemeenten.
  • De waterbeheerplannen zijn operationeel van aard en worden opgesteld door Rijkswaterstaat en de waterschappen. Deze plannen leggen de condities vast om de strategische doelstellingen van het waterbeheer te realiseren en ze beschrijven concrete maatregelen. Tot het beheer wordt ook het beheer van waterkeringen gerekend.

In de plannen op grond van de Waterwet moeten de doelstellingen van de Waterwet (artikel 2.1 Waterwet), die verband houden met waterveiligheid, droogte en waterschaarste, chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en maatschappelijke functies worden afgewogen en uitgewerkt. Dit leidt tot aanwijzing van (delen van) watersystemen voor bepaalde functies (zie ook: functietoekenning) en een maatregelenprogramma ter realisering van de doelen. In de plannen worden ook de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) uitgewerkt en die van de Richtlijn overstromingsrisico's.

In artikel 4.8 Waterwet is bepaald dat de plannen, conform de KRW-plancyclus, eenmaal in de zes jaar worden herzien. Ook tussentijdse herziening is mogelijk.

De Waterwet staat ook voor meer samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De waterplannen van rijk en provincies zijn wat betreft ruimtelijke aspecten van het waterbeleid tevens structuurvisies op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) (art. 4.1, 1e lid en art. 4.4 1e lid, zie ook: structuurvisie. Dit betekent bijvoorbeeld dat waar er in de plannen ruimte voor water is bedacht, deze ruimte (gereserveerde oppervlakte voor bijvoorbeeld een waterbergingsgebied) als het ware als onderdeel wordt gezien van de structuurvisie zoals die door beide overheidsorganen is vastgesteld. Het is daarom van belang dat het waterplan als structuurvisie ook sturende uitspraken bevat waarmee in ieder geval de politieke basis wordt gelegd voor het gebruik van Wro-instrumenten, zoals instructies, algemene regels en rijksinpassingsplannen.

Gemeenten

Gemeenten zijn geen waterbeheerder in de zin van de Waterwet, maar beschrijven hun watertaken ook in plannen. Hierbij gaat het met name om het gemeentelijke rioleringsplan waarin naast riool- en afvalwatertaken op grond van de Wet milieubeheer, de invulling van de gemeentelijke zorgplichten voor hemelwater en grondwater wordt beschreven. De grondslag voor het gemeentelijke hemelwater- en grondwaterbeleid is te vinden in de artikelen 3.5 en 3.6 van de Waterwet. Ruimtelijke aspecten van gemeentelijk waterbeleid komen terug in structuurvisies en bestemmingsplannen van gemeenten op basis van de Wet ruimtelijke ordening.