Werken met het WBI in de praktijk

Wat zijn de ervaringen van beheerders met het WBI tot nu toe? Dat vroegen we aan Kees Jan Leuvenink van Waterschap Aa en Maas, die betrokken was bij de kennis- en kundedagen van afgelopen oktober. Volgens hem moet iedereen nog wennen aan het nieuwe instrumentarium en draait RisKeer ondertussen op onderdelen goed. Verder zijn sommige rekentijden erg lang en is de macrostabiliteitsmodule nog niet beschikbaar.

Het merendeel van de waterkeringbeheerders is inmiddels aan de slag met het nieuwe instrumentarium vertelt Leuvenink. De meeste daarvan zijn zich nog aan het voorbereiden. Ze verdiepen zich in de nieuwe software en verzamelen en bewerken hun data voor de verschillende beoordelingsstappen. Met het daadwerkelijk beoordelen van waterkeringen en het maken van berekeningen en analyses zijn slechts enkele beheerders bezig.

Koken

De algemene indruk van Leuvenink tot nu toe is dat het werken met het WBI de beheerders anderhalf tot twee keer zoveel tijd kost als gedacht. Dat is niet vreemd vindt hij: “Doordat een aanzienlijk deel van de software pas laat klaar was, hebben we tijdens de generale repetitie vorig najaar niet of nauwelijks kunnen oefenen met het beoordelen van waterkeringen. En uiteindelijk merk je pas echt wat je moet doen en welke specifieke data je nodig hebt als je met de software werkt. In die fase zitten we nu en waarschijnlijk gaat het net als bij koken. De eerste keer dat je uit een nieuw kookboek kookt, voelt dat onwennig en kost het relatief veel tijd. Tegelijkertijd weet je dat het de tweede keer sneller gaat. Ik ga ervan uit dat dit ook het geval is bij het werken met het WBI. Niet alleen omdat we ervaring opdoen, maar ook doordat het instrumentarium verder wordt verbeterd.”

Einddoel

Leuvenink: “Natuurlijk is het jammer dat het beoordelen van de eerste trajecten meer tijd kost dan gedacht. En vanzelfsprekend leveren de soms nog lange rekentijden frustraties op. Toch heb ik niet de indruk dat beheerders vrezen hierdoor het einddoel voor 2023, een goed beeld van veiligheidssituatie, niet te halen. Dat neemt niet weg dat het in sommige gevallen knelt. Verschillende waterschappen, waaronder wij als Aa en Maas, willen een urgent dijktraject onderbrengen in het HWBP van 2019. Dat kan alleen als de conceptbeoordeling in december klaar is en de definitieve in maart 2018. Voor dit soort gevallen en voor projecten met zogeheten meekoppelkansen – waarbij dijkversterking wordt gecombineerd met andere maatregelen – is de onverwachte extra benodigde tijd heel lastig.”

Leuvenink stelt dat de extra benodigde tijd ook in andere gevallen kan gaan knellen. “Als Aa en Maas hoeven we relatief weinig keringen te beoordelen. Van de circa honderd kilometer keringen die we beheren, hebben we naar verwachting begin volgend jaar zo’n 45 kilometer gedaan. Dat betekent dat we straks nog 4 jaar hebben voor de overige 55 kilometer. Er zijn ook beheerders die vele honderden kilometer aan keringen moeten beoordelen. Voor hen kan de extra tijd die het beoordelen vergt, wel problematisch worden.”

Samenwerking

Leuvenink is erg blij met de toenemende onderlinge samenwerking: “Tot voor kort was er vooral sprake van een informatiestroom vanuit Rijkswaterstaat WVL en DGRW. De laatste tijd begint dat te veranderen. Beheerders wisselen steeds meer onderling kennis en ervaringen uit en er zijn ook al beheerders die nadenken over een collegiale toets. Ook heb ik de indruk dat de samenwerking met de ILT goed verloopt. De inspectie denkt mee en is bijvoorbeeld bereid om conceptrapportages te bekijken. Verder nemen WVL en Deltares onze opmerkingen serieus en werken ze hard aan het verder verbeteren van het instrumentarium.