Wanneer is goed goed genoeg?

Aan welke kwaliteitseisen moet een beoordeling voldoen en hoe weet je als beheerder dat er geen verdere analyses nodig zijn. We vroegen Anouk te Nijenhuis van het directoraat-generaal Water en Ruimte (DGRW) naar de antwoorden op deze vragen.

Te Nijenhuis vindt het logisch dat beheerders de vraag stellen wanneer goed goed genoeg is: “Met de invoering van nieuwe veiligheidsnormen en de ontwikkeling van een volledig nieuw beoordelingsinstrumentarium is er veel veranderd. Daar hoort bij dat beheerders vooraf niet precies weten welke diepgang nodig is om tot een goed oordeel over een traject te komen. In de Ministeriële Regeling is in algemene termen beschreven waaraan een beoordeling moet voldoen: een oordeel moet stabiel zijn en goed zijn toegelicht en onderbouwd.”

“De volgende vraag is natuurlijk hoe je tot een stabiel oordeel komt. Om beheerders te helpen bij het beantwoorden van die vraag hebben we een factsheet gemaakt. Daarin is beschreven hoe je met een gevoeligheidsanalyse een beoordeling slim kunt aanpakken en hoe je kunt vaststellen of extra onderzoek of meer berekeningen tot een ander resultaat leiden”.

Stopcriteria

“In de Ministeriële Regeling hebben we ook zogeheten stopcriteria geformuleerd. Als een beheerder aan één van deze criteria voldoet, weet hij dat zijn beoordeling goed genoeg is en hij niet verder hoeft te gaan. Een van de criteria is dat de beheerder kan onderbouwen dat het uitvoeren van nadere analyses er niet toe leidt dat het veiligheidsoordeel in een andere categorie valt. Een tweede reden om te stoppen is als een beheerder met een kosten-batenanalyse kan aantonen dat een aanscherping van het oordeel meer geld kost dan het uitvoeren van herstel- of verbetermaatregelen. Ook kan een beheerder ervoor kiezen om een voorlopig oordeel te geven, als duidelijk is dat voor een stabiel oordeel nog veel werk nodig is. Een voorlopig oordeel mag overigens alleen als er geen grote veiligheidsproblemen worden verwacht.”

“Los van de stopcriteria moet een beheerder het veiligheidsoordeel altijd toelichten en laten zien dat hij zijn kering goed kent. Hij moet bijvoorbeeld aangeven welke delen van de kering een grote invloed hebben op het veiligheidsoordeel en of er ‘zwakke vakken’ zijn. Verder moet hij de dominante faalmechanismen benoemen, duidelijk maken welke rol beheer en onderhoud spelen en welke verbeteropties er zijn. Ook moet hij gemaakte keuzen goed en gestructureerd onderbouwen.”

Ruimte voor eigen afweging

“De drie stopcriteria bieden beheerders ruimte om te bepalen en te onderbouwen of hun beoordelingen goed genoeg zijn. Voordat de Ministeriële Regeling werd vastgesteld hebben we met beheerders besproken dat deze ruimte wenselijk is en gedurende deze beoordelingsronde verder ingevuld moet worden op basis van ervaringen. Nu is papier natuurlijk geduldig. Daarom helpen we graag als er dilemma’s ontstaan. Zo kunnen beheerders werksessies aanvragen bij de Helpdesk Water. Verder zorgen we samen met beheerders voor houvast door voorbeelden uit de praktijk te verzamelen en via het voorbeeldenboek beschikbaar te stellen.”