Waterwet

Op 22 december treedt de Waterwet in werking. Deze wet verstevigt de relatie tussen water en ruimtelijke ordening.

Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet biedt instrumenten om het waterbeheer op een doeltreffende en doelmatige manier op te pakken. Op rijksniveau wordt een nationaal waterplan gemaakt. Dit plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. De provincies maken één of meer regionale waterplannen. Deze plannen bevatten het provinciale beleid. De ruimtelijke aspecten van die plannen van Rijk en provincies worden aangemerkt als structuurvisies in de zin van de Wro. Op basis van deze structuurvisies kunnen AMvB’s of provinciale verordeningen worden opgesteld. Op deze manier kunnen de plannen van de Waterwet doorwerken in de ruimtelijke ordening en ervoor zorgen dat de waterbelangen op een goede manier worden geborgd.

Waterwet en watertoetsproces
Het watertoetsproces is in principe niet verplicht bij het opstellen van structuurvisies en waterplannen, maar in het Nationaal Bestuursoverleg Water (NWB) is afgesproken het watertoetsproces wel uit te voeren bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen, dus ook bij waterhuishoudkundig relevante structuurvisies. Een overeenkomstige oproep staat in het ontwerp Nationaal Waterplan. Er moet dus een goede reden zijn om het dan niet te doen. Daarbij is het van groot belang dat waterbeheerder en initiatiefnemer in een vroegtijdig stadium overleggen om de belangen goed op elkaar af te stemmen.