Over de Tracéwet en en m.e.r.-procedure

Doel: milieubelang
Met de Tracéwet beoogt het rijk te voorzien in een effectieve procedure voor de totstandkoming en tijdige uitvoering van besluiten over de aanleg of wijziging van de hoofdinfrastructuur. Voor hoofdinfrastructuur geldt zowel op grond van het Besluit milieueffectrapportage 1994 als de Tracéwet een m.e.r.-plicht voor activiteiten betreffende hoofdwegen, landelijke railwegen en hoofdvaarwegen. Doel van een m.e.r. is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Op grond van de Tracéwet en de Wet Milieubeheer zijn de twee procedures zodanig gekoppeld dat het in de uitvoeringspraktijk bij rijksinfrastructuur niet zinvol is een onderscheid aan te brengen. Daarom spreken we van de tracé/m.e.r.-procedure.

Wanneer tracé/m.e.r.-procedure
Voor wegen moet het rijk in de volgende gevallen de tracé/m.e.r.-procedure volgden (artikel 2 Tracéwet):

  • de aanleg van een hoofdweg
  • een wijziging van een hoofdweg, die bestaat uit de ombouw van een weg tot autosnelweg
  • een verbreding van een hoofdweg met één of meer rijstroken, indien het te verbreden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt.

Ook bij aanleg of wijziging van landelijke railwegen of hoofdvaarwegen moet het rijk in een aantal gevallen de tracé/m.e.r.-procedure volgen. (zie voor de precieze gevallen artikel 2 van de Tracéwet). Het gaat altijd om een fysieke aanleg of verbreding. Het is niet mogelijk om in andere gevallen dan in de wet genoemd, over te gaan tot een vrijwillige toepassing van de tracé/m.e.r.-procedure. Voor zover een tracébesluit in strijd is met een bestemmingsplan geldt het tracébesluit als permanente ontheffing (artikel 3.23 Wro en artikel 15 Tracéwet).

Waterhuishoudkundige informatie gefaseerd inbrengen
De tracé/m.e.r.-procedure kent een gefaseerde aanpak die als uitgangspunt heeft dat er een trechtering “scoping” en/of zeefwerking van de informatie nodig is om die informatie op tafel te krijgen die relevant is voor het tracébesluit. Tijdens de eerste fase is er veel informatie op een globaal niveau aanwezig (veelal niet allemaal gekwantificeerd) en gedurende het proces wordt uitgezocht welke informatie nader gedetailleerd moet worden zodat voldoende inzicht ontstaat in het project en de effecten. Dit betekent voor de watertoets dat de waterbeheerder op diverse momenten waterhuishoudkundige informatie inbrengt die past bij het schaalniveau van dat moment in de procedure. Elke stap in de procedure eindigt met een beslissing, waarbij ook de waterhuishoudkundige criteria meewegen voor het vervolg van de procedure. Globaal zijn er vier fasen:

  • verkenningen
  • startnotitie en trajectnota/m.e.r.
  • standpunt van de Minister en (ontwerp-)tracébesluit
  • vervolg (voorbereidingsstudie, realisatiefase, evaluatie na realisatie

Beschrijving per fase
Voor het toepassen van de watertoets bij de tracé/m.e.r.-procedure zijn geen aparte stappen noodzakelijk. Uitgangspunt is een vroegtijdige betrokkenheid en actieve inzet van de waterbeheerders bij het proces. Gedurende dit proces komt de watertoets een aantal maal voor: initiatief, overleg, afspraken, ontwerp, advies, afweging en verantwoording. Voor de waterbeheerder is het daarbij van belang om zich te realiseren op welk abstractieniveau hij de inbreng geeft. In de eerste drie stappen (Verkenning, Startnotitie en Trajectnota/MER) is de locatiekeuze, in toenemende mate van concreetheid, aan de orde. Bij het ontwerp tracébesluit gaat het met name om inrichtingsaspecten. De formele watertoetsmomenten zijn gekoppeld aan de formele momenten in de tracé/m.e.r.-procedure: het wateradvies tijdens de wettelijke inspraak/adviesfase, en de waterparagraaf bij besluitvorming door bevoegd gezag/formeel initiatiefnemer.

Flexibiliteit
De tracé/m.e.r.-procedure is een wettelijke procedure met een aantal harde elementen zoals formele termijnen en verplichte documenten zoals de startnotitie, de richtlijnen, de trajectnota/m.e.r.. Afgezien van deze onderdelen biedt de procedure veel vrijheid om het project en het proces naar eigen inzicht in te richten. Het is aan te bevelen om gebruik te maken van deze flexibiliteit. Enkele mogelijkheden ter illustratie:

  • De tracé/m.e.r.-procedure bevat een expliciete stap van “scoping” (in de startnotitie en richtlijnenfase) waarbij het bevoegd gezag, de initiatiefnemer, insprekers en adviseurs en de Commissie m.e.r. “in dialoog” bepalen wat er waarom in de trajectnota/m.e.r. terechtkomt.
  • Voorafgaand aan het opstellen van startnotitie, trajectnota/m.e.r. en OTB is er vaak intensieve communicatie met derden. Zeker voor de waterbeheerder(s) is het aan te raden om van deze mogelijkheid gebruik te maken en voor een actieve opstelling te kiezen. Als dit slim gebeurt dan zullen er vanuit de wettelijke inspraak en advies reacties geen “verrassingen” meer tevoorschijn hoeven komen.
  • Over de richtlijnen kan de waterbeheerder overleg voeren met het bevoegd gezag en de Commissie m.e.r.. Het is verstandig om dit te doen zodat er geen misverstanden ontstaan over de breedte en de diepgang van uit te voeren onderzoek en MER. Bij vernieuwde inzichten kan men dan ook bekijken in hoeverre gemotiveerd afwijken van richtlijnen mogelijk is.
  • De Commissie m.e.r. kan tussentijds met de initiatiefnemer “meedenken” door bijvoorbeeld het uitvoeren van voortoetsen (niet openbaar). Bij projecten waarbij de initiatiefnemer oplossingen ‘trechtert’ kan er ook een tussentoets worden uitgevoerd (wel openbaar met inspraak).