Netwerkdag Water en Ruimte genereert veel energie

Op 17 maart vond in de Utrechtse Munt voor de derde keer de Netwerkdag Water en Ruimte plaats. Na een presentatie door rijksadviseur Landschap en Water Eric Luiten discussieerden de circa honderd deelnemers in groepjes enthousiast over een aantal thema's en praktijkprojecten. De uitkomst van deze discussies is vastgelegd in een reeks stellingen. Deze dienen als input voor het manifest van het Jaar van de Ruimte.

De dag met als thema 'Samen werken aan water- en ruimteopgaven' werd geopend door dagvoorzitter David van Zelm van Eldik. Hij is programmaleider van de Nationale Omgevingsvisie en heeft als oud-directeur van het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma veel ervaring met vraagstukken rondom water en ruimte. Hij ging kort in op het programma en de samenhang met het Jaar van de Ruimte. Na zijn openingswoorden was het de beurt aan Eric Luiten.

De rijksadviseur Landschap en Water liet aan de hand van vele foto's zien hoe het Nederlandse landschap eeuwenlang is gevormd door een 'volgehouden eenheid van handelen' die grotendeels voortvloeide uit de strijd met het water. Denk aan het cope-landschap met de typerende strokenverkaveling, dat is ontstaan met relatief eenvoudige technische middelen, op basis van eenduidig opdrachtgeverschap en met eenvoudige en herhaalbare spelregels. De woeste veenmoerassen in Utrecht en Holland werden volgens een vaste maatvoering door de grondeigenaren uitgegeven, waarna deze gronden in kavels werden verdeeld onder kolonisten die de gebieden vervolgens ontgonnen. Al deze kavels hadden een vaste breedte en lengte.

Volgens Luiten ontbreekt de laatste decennia een duidelijk richtinggevend kader voor de ruimtelijke inrichting. Tegelijkertijd zijn de technische mogelijkheden enorm toegenomen in vergelijking met het verleden toen er bij het vormgeven van het landschap nog allerlei fysieke beperkingen waren. In combinatie met een diffuser opdrachtgeverschap, complexere spelregels en een uiterst mondige samenleving met allerlei wensen, heeft dat geleid tot verrommeling en onsamenhangende landschappen. Om deze ontwikkeling tegen te gaan pleit Luiten onder meer voor een nieuw kader voor ruimtelijke kwaliteit. Hij denkt daarbij aan een wervend, gedeeld beeld van de kwaliteiten en mogelijkheden van het Nederlandse landschap.

Luiten is ervan overtuigd dat een dergelijk beeld als onderlegger kan dienen bij ruimtelijke initiatieven en houvast kan bieden bij ontwikkelingen als regionale krimp, energietransitie en de invoering van het Deltaprogramma. Hij ziet daarbij een belangrijke rol weggelegd voor multidisciplinaire kwaliteitsteams die bestaan uit ervaren onafhankelijke, gezaghebbende en mondige professionals. Dit soort teams kan in alle planfases de kwaliteit bewaken en ervoor zorgen dat verborgen kansen worden benut, verschillende opgaven bij elkaar worden gebracht en de waan van de dag wordt vermeden.

Na het bevlogen verhaal van Luiten volgde een projectenmarkt waar de zeven sessieleiders in een korte pitch hun onderwerp aan de deelnemers presenteerden. Op basis van deze pitches kon iedereen zich 'inschrijven' voor twee onderwerpen die in twee sessies werden besproken. Een onderwerp dat aan de orde kwam was onder meer de 'Ja-tenzij-keur' van het hoogheemraadschap van Rijnland en de vraag wat deze andere manier van vergunningverlening - niet nee mits, maar ja tenzij - betekent voor de rol van overheden. Andere onderwerpen waren sociale innovatie, participatie, een LCA-tool om beheeropgaven en -kosten mee te nemen bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen en de rol van private partijen bij water- en ruimtevraagstukken. Ook de integrale gebiedsontwikkeling Fluvia Tiel en de bestuurlijke dynamiek bij het project 'Dijkteruglegging bij Lent' werden besproken.

De uitkomsten van de verschillende discussies zijn door de sessieleiders vertaald in een aantal stellingen. Na afloop van de sessies zijn deze op grote vellen geschreven, waarna alle deelnemers stemmen mochten uitbrengen op de stellingen die zij het belangrijkst vonden. De volgende stellingen scoorden relatief hoog:
• Ja-tenzij-vergunningverlening is wenselijk bij de gehele overheid;
• Ruimtelijke projecten brengen de watersector verder;
• Alles is verbonden. Het samen oplossen van vraagstukken is de enige weg. Durf voorbij grenzen te denken en omarm je omgeving. Vul daarbij niet voor de ander in, maar vraag wat hij wil en bedoelt;
• Probeer met alle partijen het gezamenlijke belang voorop te zetten;
• Luister naar elkaar met oprechte interesse in elkaars waarden, met passie en betrokkenheid. Ga bij plannen uit van de eigenheid van een gebied en zorg dat meedoen aantrekkelijk is voor partijen;
• Maak bij projecten zoals het ontwikkelen van een veenweidevisie in Friesland de urgentie duidelijk en vergroot de betrokkenheid met het gebied. Sluit aan bij de energie die aanwezig is bij partijen in het gebied en zet in op het creëren van draagvlak;
• Streef je naar burgerparticipatie, ga dan bij de start van een project met alle betrokken en toekomstige beheerder dromen over het gebied en streef ernaar dat belanghebbenden los komen van hun eigen, vaak sectorale agenda;
• Bezoek en verdiep je in grootschalige projecten, gun alle partijen iets bij de uitvoering en maak het project een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Leg de regie bij de (overheids)partij die het dichtst bij de burgers staat en zoek een sterke bestuurder met visie die gericht is op samenwerking.
De bijeenkomst werd afgesloten met een borrel, waar net als tijdens de pauzes, enthousiast werd gepraat en volop genetwerkt.