Hoe waterkwaliteit meenemen in het ruimtelijk planproces?

De Europese Kaderrichtlijn Water begint te landen op de Nederlandse werkvoer. De richtlijn is inmiddels doorvertaald naar Nederlandse regelgeving. Wat betekent dit voor het ruimtelijke planproces? De onlangs verschenen ‘Handreiking Ruimtelijke planprocessen en Waterkwaliteit' biedt handvatten.

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is eind 2000 van kracht geworden. Doel van deze richtlijn is het bereiken en beschermen van een goede kwaliteitstoestand van het oppervlaktewater en grondwater in Europa. Het gaat dan met name om grootschalige waterlichamen. Daarvoor zijn doelen gesteld wat betreft de chemische kwaliteit van het water, de biologische kwaliteit en de hoeveelheid. Daarnaast moet in elk geval de huidige toestand van het water behouden worden. De toestand mag dus niet verder achteruitgaan.

Geheim

Dit type regelgeving is anders van aard dan de regelgeving in Nederland. De KRW stuurt niet op kleinschalige en tijdelijke effecten van lozingen en andere handelingen die invloed hebben op de waterkwaliteit. De Nederlandse milieuregelgeving houdt deze wel tegen.

Het moge duidelijk zijn dat het doorvertalen van de KRW naar de Nederlandse situatie voor veel hoofdbrekens heeft gezorgd. Hoe is dat dan toch gelukt? Het ‘geheim' zit hem in de keuze om de KRW niet rechtstreeks te laten leiden tot verplichtingen voor derden (bedrijven, burgers, etc.). Alleen de waterbeherende overheden zijn nu verplicht tot het opstellen, bijstellen, uitvoeren van waterplannen en het monitoren van de waterkwaliteitstoestand.

Flexibel
De flexibiliteit van de KRW blijft daarom ook in Nederland behouden. Vergunningen kunnen dus nooit direct getoetst worden aan de verplichtingen van de KRW. Hoe bij vergunningverlening met de KRW-doelen moet worden omgegaan is te vinden in de plannen van de waterbeheerders. Deze kunnen bijvoorbeeld vergunningverlening inzetten als één van de instrumenten om de KRW-doelen te bereiken.

Ruimtelijke besluiten

De KRW is indirect wel van belang voor de uitvoeringspraktijk. De waterplannen - waarin de KRW-doelstelling zijn opgenomen - kunnen wel degelijk in bepaalde mate doorwerken naar concrete besluiten. Een ruimtelijk besluit moet namelijk passen binnen de ruimte die het waterplan heeft voor mogelijke consequenties van dat besluit. De initiatiefnemer tot het wijzigen van een bestemmingsplan moet dat aantonen. Net zoals de initiatiefnemer moet aantonen dat een functie in overeenstemming is met de toegestane geluidsbelasting ter plekke.

Handreiking

Dat lijkt een logische redenering, maar kan de initiatiefnemer dat wel? De Handreiking Ruimtelijke planprocessen en Waterkwaliteit helpt de initiatiefnemer. Hierin wordt voor het oppervlaktewater beschreven hoe initiatiefnemer, gemeente, waterbeheerder en provincie kunnen komen tot een goede inbreng van het aspect waterkwaliteit in het ruimtelijke planproces en een goede onderbouwing van ruimtelijke besluiten.

De handreiking geeft aan wanneer er mogelijke negatieve effecten op de waterkwaliteitstoestand van een oppervlaktewaterlichaam zijn, die niet zonder meer door latere vergunningverlening worden voorkomen. De handreiking bevat een beslisboom die een ruimtelijke planner (vaak zelf geen waterdeskundige) in staat stelt om te beoordelen of hij/zij in overleg moet treden met de waterbeheerder.

Werkgroep vuistregels

De handreiking schetst ook het watertoetsproces voor het aspect waterkwaliteit. De beslisboom geeft aan of in een situatie aandacht nodig is voor het aspect waterkwaliteit, maar dit kan nog specifieker. De reden hiervoor is dat er geen goede vuistregels zijn. Het is de verwachting dat in veel gevallen een watertoetsproces voor het aspect waterkwaliteit niet nodig is. Maar de lokale situatie is hiervoor bepalend. Een aantal handige vuistregels kunnen veel nodeloos gedoe voorkomen. Hiermee geven waterbeheerder aan in welke situaties overleg niet of beperkt nodig is. Een werkgroep gaat aan de slag om deze vuistregels op te stellen.

Waterkwaliteit en het watertoetsproces

De kern van het ‘waterkwaliteitsverhaal' zit in een goede en tijdige afstemming. Hoe eerder het belang van waterkwaliteit betrokken wordt bij ruimtelijke (plan)processen, hoe beter het is. Het watertoetsproces zet daar al jaren op in. Met de implementatie van de KRW is dit belang toegenomen. Als een waterbeheerder constateert dat een ruimtelijke ontwikkeling aantoonbaar niet past binnen het waterplan en er is bijvoorbeeld onvoldoende overleg geweest met de waterbeheerder, dan zal dit al snel leiden tot een negatief advies van de waterbeheerder in het kader van de watertoets, wat weer risico's oplevert in het ruimtelijke spoor.

Ideale situatie

In een ideale situatie zou dit niet moeten kunnen voorkomen. Het waterplan moet rekening houden met de belangrijke toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en vice versa. De provincie heeft de bevoegdheid om eventuele strijdigheden vooraf op te lossen door regels te stellen in een provinciale verordening. Gemeenten kunnen voorafgaande aan een ruimtelijk besluit zelf ook regels stellen die voorkomen dat de toestand van wateren in het geding komt.
In de praktijk zal goed overleg tussen waterbeheerder en RO-bevoegd gezag meestal leiden tot goede oplossingen. De meeste waterplannen bieden voldoende ruimte voor een zekere mate van ontwikkeling, en lang niet alle ruimtelijke plannen en besluiten hebben negatieve gevolgen voor het halen van de KRW-doelen voor een of meerdere waterlichamen.

Positieve bijdrage

Bovendien is in het overleg tussen waterbeheerder en RO-bevoegd gezag ook een wereld te winnen voor de waterkwaliteit. Een ruimtelijke planner kan namelijk actief met een aantrekkelijke ruimtelijke ontwikkeling tevens een positieve bijdrage leveren aan de waterkwaliteit. In sommige situaties moet de ruimtelijke planner mogelijke negatieve effecten op de waterkwaliteitstoestand actief voorkomen. Hoe eerder dit in de schetsen wordt meegenomen, hoe beter (en goedkoper) het is.

Download de handreiking

Meer informatie kunt u vinden in de Handreiking Ruimtelijke planprocessen en Waterkwaliteit (pdf, 515 kB).