Hoe verder met leergemeenschappen Water en Ruimte?

De huidige opzet van de regionale leergemeenschappen Water en Ruimte gaat veranderen. Hoe is nu nog niet duidelijk, maar het uitgangspunt van de coördinatiegroep is dat de leergemeenschappen uiteindelijk zelfstandig en onafhankelijk gaan functioneren. We spraken hierover met Ariane Tuinenburg-Jansen van Rijkswaterstaat. Samen met Reinier Romijn van de Unie van Waterschappen en Marcia van der Vlugt en Mayke Hoogbergen van het Ministerie van I & M, bereidt zij de beoogde verandering voor.

Tuinenburg-Jansen is lid van de coördinatiegroep Water en Ruimte, waarin naast Rijkswaterstaat en de Unie ook het ministerie van I&M is vertegenwoordigd. Deze coördinatiegroep organiseert de landelijke dagen rondom de leergemeenschappen en faciliteert de regionale leergemeenschappen. “De afgelopen jaren hebben we ons ingespannen om water en ruimtelijke ordening meer met elkaar te verbinden”, vertelt Tuinenburg-Jansen. “Dit vloeit voort uit het actieprogramma Water en Ruimte dat in 2010 is opgesteld in opdracht van de Unie van Waterschappen. Om de doelstellingen uit dit programma te bereiken hebben we tot nu toe onder andere de regionale leergemeenschappen financieel ondersteund. Het uitgangspunt is echter vanaf het begin geweest dat de leergemeenschappen zelfstandig en onafhankelijk moeten gaan draaien. Inmiddels zijn we aan het kijken hoe we die nieuwe werkwijze kunnen realiseren.”

In nauw overleg

“Vanzelfsprekend doen we dat in nauw overleg met de vier kernteams die rondom de regionale leergemeenschappen zijn opgezet. Deze teams bereiden per regio de bijeenkomsten voor. We hebben deze teams onlangs een enquête gestuurd om in beeld te brengen wat zij willen. In deze enquête hebben we de kernteamleden onder meer drie opties voorgelegd, waarbij we hebben gevraagd aan te geven welke optie hun voorkeur heeft. De eerste optie is doorgaan met de regionale leergemeenschappen, waarbij het kernteam de bijeenkomsten zelf gaat organiseren met financiële ondersteuning van de coördinatiegroep. De tweede optie is doorgaan op dezelfde manier als de voorgaande jaren. Dat betekent ondersteuning van Platform 31 bij het organiseren van de bijeenkomsten. De derde optie is stoppen met de bijeenkomsten. We hebben de kernteams ook gevraagd een plan van aanpak op te stellen voor het komende jaar. In januari willen we de uitkomsten van de enquête met de kernteams bespreken evenals de vraag hoe de regionale leergemeenschappen zo optimaal mogelijk verder kunnen gaan.”

Badwater

“Dat wij uiteindelijk streven naar zelfstandig functionerende leergemeenschappen, betekent niet dat we straks ineens 'de stekker eruit trekken'. We zijn voorstander van een geleidelijke overgang en proberen de komende tijd onze bijdrage zo optimaal mogelijk in te zetten. Los daarvan willen we het kind niet met het badwater weggooien. Dat met de leergemeenschappen in hun huidige vorm positieve resultaten zijn behaald staat buiten kijf. Er zijn netwerken gevormd, er is veel belangstelling voor de bijeenkomsten en er worden iedere keer inspirerende praktijkprojecten gepresenteerd. Daar staat tegenover dat de verdieping soms uitblijft en sommige kernteams wel erg steunen op Platform 31.”

Zoeken

“Ook voor de coördinatiegroep is het overigens nog zoeken. We hebben weliswaar helder voor ogen dat we toe willen naar zelfstandig opererende groepen, maar hoe we dat doel het beste kunnen bereiken weten wij nog evenmin. Zelf denk ik dat de regio's van de leergemeenschappen wat te groot zijn. Als je binnen een kleiner gebied samenwerkt en steeds dezelfde mensen tegenkomt, neemt de verbondenheid toe. Daarom denk ik dat een community of practice, zoals de COP Klimaatadaptatie Zuidelijke Randstad, een goede vorm is. Hierbinnen werken diverse gemeenten en waterschappen samen aan de realisatie van klimaatadaptatie-opgaven in het gebied, waarbij veel aandacht uitgaat naar het samen ontwikkelen van nieuwe kennis.”