Waterveiligheid meenemen in watertoetsproces

In het Nationale Waterplan staan een aantal nieuwe uitgangspunten voor het waterveiligheidsbeleid. Bovendien geeft het plan aan dat dit onderwerp ook een plek moet krijgen in het watertoetsproces.

Negen miljoen Nederlanders leven nu in een laag gelegen gebied dat vanuit zee of vanuit de rivieren kan overstromen. In dit gebied wordt 65 % van het nationaal inkomen verdiend. De zeespiegelstijging, de steeds heviger regenval en het toenemende smeltwater vanuit de Alpen zorgen voor hogere waterstanden langs de kust en in de rivieren. Daarnaast worden de gevolgen van overstromingen steeds ernstiger, omdat de bevolking groeit en de economische waarde achter de dijken toeneemt.

Daarom is een aantal jaren geleden terecht de vraag gesteld of het huidige, vooral preventieve beschermingsbeleid tegen overstromingen en de Wet op de Waterkering nog adequaat zijn. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat Nederland ook in de toekomst waterveilig blijft? Moeten we niet meer aandacht besteden aan het beperken van de gevolgen van overstromingen?

Hoofdthema’s
Om hier antwoord op te krijgen, startte het ministerie van Verkeer en Waterstaat in 2005 de verkenning Waterveiligheid 21e eeuw (WV21). Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een beleidsnota over waterveiligheid, waarvan een groot deel in het Nationaal Waterplan terecht is gekomen. Frank Alberts was vanuit de Waterdienst van Rijkswaterstaat hierbij betrokken en vertelt dat het beleid twee hoofdthema’s kent. Als eerste kondigt het plan nieuwe veiligheidsnormen aan. “Het wordt hoog tijd dat we de huidige normen om overstromingen te voorkomen een tegen het licht houden. Sinds de eerste deltacommissie hebben we dat niet gedaan en in die tijd is de bevolking van 10 naar 16 miljoen gegroeid. Als je daar dan toch mee aan de slag gaat, dan moeten die normen gelijk vijftig jaar meekunnen. En dus ook inspelen op een ontwikkeling als de klimaatverandering.”

Meerlaagse veiligheid
Het tweede hoofdthema houdt een verbreding van het waterveiligheidsbeleid in. Alberts: “Het huidige beleid is vooral gericht op preventie. Dan gaat het bijvoorbeeld over stevigere waterkeringen en het programma Ruimte voor de rivier. Maar dat geeft geen oneindige veiligheid. Er kan altijd iets misgaan en daar zullen we op in moeten spelen.” Dat doet het nieuwe beleid door het begrip ‘meerlaagse veiligheid’ te introduceren. Dit bevat drie lagen:

  • Laag 1: het huidige beleid, wat vooral gericht is op preventie tegen overstromingen.
  • Laag 2: een duurzame ruimtelijke inrichting. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de veiligheid van gebieden achter de dijken en buitendijkse gebieden. Uiteindelijk zou dit tot andere locatiekeuzes kunnen leiden.
  • Laag 3: crisismanagement. Het doel van deze laag is om goed voorbereid te zijn als er een overstroming plaatsvindt. Denk aan evacuatieplannen, waarschuwingssystemen en rampoefeningen.

Compartimentering
Alberts geeft aan dat de eerste laag gericht is op het beheersen en verkleinen van de kans op overstromingen, terwijl de andere twee lagen iets vertellen over het beheersen van de gevolgen van een eventuele overstroming. “Vooral de tweede laag is best lastig. Dit is de laag van het beleid. En Nederland staat voor 95% al, dus je kunt niet opeens grondig gaan verbouwen. Wel kun je aan zaken als compartimentering denken. Dus dat het water ergens gestopt wordt als er een gat in de dijk ontstaat.”

Watertoetsproces
In het Nationaal Waterplan wordt aangegeven dat het nieuwe waterveiligheidsbeleid ook moet worden meegenomen in het watertoetsproces. Alberts: “Vooral de tweede laag leent zich hiervoor. Maar ook in de eerste laag zie ik mogelijkheden voor het watertoetsproces. De planning is dat in 2011 de nieuwe normen bekend worden, die zeker niet lager zullen zijn dan nu het geval is. Die hogere eisen zullen zeker ook om meer ruimte vragen.” Albert geeft aan dat met het nieuwe thema waterveiligheid het watertoetsproces zelf niet zal veranderen. “Wel zal de waterbeheerder attent moeten zijn om ook hierover informatie te verschaffen aan de initiatiefnemer. Bovendien zou ook de risico- en kostenanalyse een rol kunnen spelen, maar dat soort zaken moeten nog verder uitgewerkt worden.”