Droogteseizoen 2020

Gepubliceerd 22 februari 2021

2020: droge perioden en lage afvoeren

Het jaar 2020 was voor het zuiden het vierde en voor de rest van Nederland het derde jaar op rij met watertekorten. De waterbeheerders namen veel maatregelen om de effecten van de watertekorten voor gebruikers te minimaliseren. Vooral voor de natuur en in de landbouw waren gevolgen wel merkbaar. Daarnaast waren er natuurbranden, ondervond de scheepvaart hinder en nemen de waarschuwingen voor verzakkingen en schade aan groen erfgoed toe.

Droog begin van het seizoen

De waterbeheerders hielden in de winter extra water vast en in combinatie met enkele natte maanden leidde dit tot herstel van grondwaterstanden. Het seizoen van 2020 begon vervolgens erg droog, met vanaf half maart tot eind mei zeer sterk oplopende neerslagtekorten in heel Nederland. Hierdoor daalden de grondwaterstanden snel, vielen watergangen op hoge zandgronden droog en de bovenste laag van de bodem droogde uit. De waterschappen zetten zoveel mogelijk de waterpeilen omhoog, Rijkswaterstaat verhoogde de peilen van het IJsselmeer, Markermeer en de Maas. Regionaal werden, vroeger dan andere jaren, onttrekkingsverboden voor oppervlaktewater ingesteld. Boeren beregenden op grote schaal om het kiemen van de gewassen te ondersteunen of de uitgedroogde bodem beter bewerkbaar te maken. Omdat mensen veel thuis waren door de Corona maatregelen nam het (recreatieve) particuliere watergebruik extra toe. De droge bodem had negatieve effecten op de broedende weidevogels. De grondwaterafhankelijke natuur had al vroeg last van lage grondwaterstanden. Eind april was in de Deurnese Peel een qua schaal en intensiteit uitzonderlijke natuurbrand.

Vanaf begin juni tot begin juli waren de neerslaghoeveelheden normaal, hoewel door het buiige karakter lokaal gebieden droog bleven. De grondwaterstanden bleven laag in de zandgrondgebieden. Het bodemvocht herstelde waar de landbouw sterk van profiteerde. Vanaf begin juli namen de regionale verschillen toe en was de neerslag in het westen en noorden voldoende, in het oosten en zuidoosten was het droger. Daar daalden grondwaterstanden verder en nam droogval van watergangen toe. De natuur had hiervan negatieve effecten en lokaal ook de landbouw.

Aanvoer grote rivieren

Vanaf begin augustus daalde de Maas tot lage afvoeren. Diverse maatregelen waren nodig zoals het terugpompen bij sluizen en beperkt schutten om schutverliezen te voorkomen. Wachttijden voor de scheepvaart liepen daardoor op en er was minder water beschikbaar voor de regionale wateren. De Rijn aanvoer was het hele droogteseizoen laag maar nooit zeer laag. De verminderde vaardiepte die daardoor enkele keren optrad was voor de scheepvaart goed op te vangen. Er waren zeer beperkt problemen in verband met zoutindringing door lage Rijnafvoer. Opvallend is dat de gemiddelde afvoer van de Rijn in de periode april tot en met augustus de laagste was sinds 1976.

De effecten van de droogte en laagwater waren uiteindelijk vooral te merken voor de landbouw, de scheepvaart en de natuur. Doordat de hevige droogteperiode van april en mei voor het echte groeiseizoen plaatsvond, waren de effecten uiteindelijk te overzien. De Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling was opgeschaald van 25 mei tot 8 juli en heeft het hele seizoen droogtemonitoren uitgebracht.

Bron:  Droogteseizoen 2020 : terugblik WMCN-LCW - Rapportendatabank (overheid.nl)