Suppleren met satellietbeelden

Gepubliceerd 17 februari 2021

In een laaggelegen land als Nederland is de strijd tegen het water al eeuwenoud en tegelijkertijd nog steeds actueel. Dat wij droge voeten houden, is zeker geen zekerheid. Daar mogen we de helden van het programma Kustlijnzorg voor bedanken. In de rubriek ‘Held achter de held’ laten we je graag kennismaken met deze kustbeschermers. Deze keer: Quirijn Lodder, strategisch adviseur waterveiligheid kust bij Rijkswaterstaat.

Wat doe jij precies voor het programma Kustlijnzorg?

Ik ben een tijd lang technisch manager van Kustlijnzorg geweest. Nu treed ik nog steeds op als adviseur, vooral voor het aansturen van kennisprogramma’s. Ik denk na over hoe we nu en in de toekomst met de kust moeten omgaan. Daar gebruiken we bijvoorbeeld data voor die wordt ingewonnen door Rijkswaterstaat, maar die data is niet altijd even actueel. Logisch, want we kunnen niet continu de bodemhoogte meten. Nu meten we jaarlijks de bodemhoogte dicht bij de kust en om de 3 jaar dieper op zee. Om die informatie aan te vullen doen we nu een test waarbij we gebruik maken van satellietbeelden.

Dus een satelliet weet hoe diep de Noordzee is?

Niet helemaal. Een satellietbeeld geeft niet direct de diepte van de Noordzee. Maar op een satellietbeeld is wel vaak de grens tussen water en land goed te zien. Omdat we het getij langs de Nederlandse kust kennen, kunnen we de waterstand goed inschatten. Samen met de foto’s van de satelliet hebben we dus een goede schatting van de diepte én kunnen we heel goed zien hoe de zeebodem zich gedraagt. Omdat we met deze satellietbeelden elke 2 à 3 maanden een bodemkaart kunnen maken, hebben we veel meer informatie dan als we alleen gebruik maken van de standaardmetingen.

En hoe draagt dat dan bij aan het beschermen van Nederland?

Er gebeurt veel op de zeebodem. En die processen gaan soms sneller dan dat wij onze metingen normaal uitvoeren. Omdat we met de satellietbeelden beter inzicht hebben in de processen langs de kust, kunnen we de informatie gebruiken bij het opstellen van het zandsuppletieprogramma. Zo zien we bijvoorbeeld op de satellietbeelden dat er zich voor de kust van Goeree een doorbraak vormt in een zandbank. Daardoor verandert de stroming, wat effect heeft op de kusterosie. Dat hadden we met onze standaardmetingen later opgemerkt. Nu kunnen we er rekening mee houden, wat weer meer mogelijkheden geeft voor dynamisch handhaven van de kustlijn. We laten de kust haar gang gaan waar dat kan en sturen bij als dat nodig is. Omdat we meer inzicht hebben in de processen, weten we met deze techniek beter waar dat wel kan en waar niet.

Vervangt dit satellietbeeld de standaardmetingen?

Nee, zo ver zijn we nog lang niet. Al kunnen we wel al veel nauwkeuriger meten dan een aantal jaar geleden. Het helpt ons vooral de dynamiek van de kust beter te begrijpen omdat we frequenter een beeld krijgen van wat er verschuift en verplaatst. Dynamiek is een integraal onderdeel van de kust. Een kernkwaliteit. En die dynamiek hebben we nodig om zand te verspreiden over de kust. De beelden helpen dus ook bij het meten van het succes van suppleties. De pilotsuppletie in het zeegat van Ameland zie je bijvoorbeeld goed terug op de satellietbeelden. Je ziet dat er zich een zandbank vormt door zand dat Rijkswaterstaat daar heeft opgespoten.

Is dit experiment volgens jou een aanstaande held?

Dat is het zeker. Tot op heden hebben we nog niets ontdekt dat we uiteindelijk niet met onze eigen metingen zouden zien. Maar de kans is aanwezig dat dit in de toekomst wel gebeurt. In kennisgedreven programma’s als Kustlijnzorg kunnen satellietbeelden heel erg belangrijk zijn. Dankzij deze data kunnen we modellen maken hoe de kust zich gedraagt, maar de satellietbeelden ook gebruiken om beter te begrijpen hoe de kust reageert op zeespiegelstijging. En dat is de komende decennia een van de belangrijkste drijvers voor de ontwikkeling van de kust en van essentieel belang voor onze bescherming tegen de zee.

Bron: Rijkswaterstaat