Natuurlijke lozing verontreinigd grondwater op oppervlaktewater

Gepubliceerd 11 november 2020

De online informatiebijeenkomst over Natuurlijke Lozing Oppervlaktewater (NLO) is op 20 oktober 2020 goed bezocht met zo'n 94 deelnemers.

De webinar had als doel om inzicht te geven in de aanleiding en de achtergrond van de opgestelde rapportage instroom verontreinigd grondwater in oppervlakte water en de RWS-handreiking nlo; natuurlijke lozing van verontreinigd grondwater op oppervlaktewater.

De rapportages helpen om naar de toekomst toe een rol te pakken en de verantwoordelijkheid te nemen om samen met de andere decentrale overheden goede afwegingen te maken.

Deze online deelnemers hebben de nodige input gegeven via de chat op de ervaringen van de waterschap Vallei en Veluwe en de gemeente Rotterdam. Heb je het gemist dan hier je kans om de livestream van de webinar terug te kijken. Op gestelde vragen in de chat zullen we later ook nog op terug komen.

Heldere handvatten en beleidsmatige verankering

Hoe ga je om met verontreinigingen in grondwater die op natuurlijke wijze afstromen naar het oppervlaktewater, een rivier of een kanaal bijvoorbeeld? Wanneer neem je maatregelen om deze afstroming te voorkomen en wanneer hoef je niets te doen? In essentie zijn dat de kernvragen die de ‘Handreiking Natuurlijke Lozing van verontreinigd grondwater op Oppervlaktewater’ beantwoordt.

Vanaf de zomer wordt gewerkt aan de beleidsmatige verankering van deze systematiek. In opdracht van het ministerie van IenW tekende advies- en ingenieursbureau Tauw voor het opstellen van de handreiking.

Oude afspraken beetje verwaterd

Ruim twintig jaar geleden (1998) was er voor de natuurlijke lozing van grondwater op oppervlaktewater (NLO) – een vraagstuk op het grensvlak van het bodem- en waterbeleid – al een systematiek ontwikkeld. “Deze is echter nooit beleidsmatig verankerd en in de loop der jaren zijn de indertijd gemaakte afspraken eigenlijk een beetje verwaterd”, zegt David Vroon van Rijkswaterstaat. “We hebben er daarom bij het ministerie van IenW op aangedrongen te laten onderzoeken of de oude systematiek nog voldeed en of er wellicht aanpassingen en verbeteringen noodzakelijk waren. IenW heeft Tauw daarvoor de opdracht gegeven.”

Systematiek ook toepasbaar op regionale wateren

Renate van Dijk, als projectleider van Tauw betrokken bij het opstellen van de vernieuwde systematiek: “We waren bezig in opdracht van IenW voor de rijkswateren, toen het UP langskwam met de constatering dat er voor lozing van verontreinigd grondwater op regionale wateren ook bij bijvoorbeeld waterschappen meer aandacht wenselijk is. Tegelijkertijd was de gedachte om bij waterschappen, provincies en gemeenten de interactie tussen het water- en het bodemsysteem meer onder de aandacht te brengen. Daarbij ontstond het idee om de systematiek ook te toetsen en toepasbaar te maken voor regionale wateren. Doel is om de systematiek straks om te zetten in beleid voor zowel rijkswateren als regionale wateren.”

Omgevingswet vraagt meer integrale benadering

Dat het nog wel eens heeft ontbroken aan aandacht voor het raakvlak tussen het water- en het bodemsysteem, is voor een deel terug te voeren op sectoraal beleid en een sectorale aanpak, maakt Van Dijk duidelijk. De omgevingswet brengt daar verandering in, is de verwachting. “De wet vraagt in ieder geval dat je veel breder en integraler naar vraagstukken kijkt. En de structuren die de wet biedt – regionale waterprogramma’s bijvoorbeeld waarin geïntegreerde problematiek op tafel komt – maken het ook gemakkelijker om aandacht te geven aan dit soort vraagstukken.”

Kosteneffectiviteit

“Een van de belangrijkste punten waarop de systematiek is geactualiseerd is de kosteneffectiviteit van maatregelen”, zegt Vroon. “Wat mag je uitgeven om een kilogram verontreiniging op te ruimen? Daar hadden waterbeheerders tot voor kort geen goede handvatten voor. Tauw heeft bovendien heel goed de natuurlijke afbraak van verontreinigingen meegenomen bij de actualisatie. We kunnen nu met de vernieuwde systematiek afwegen of het realistisch is om een bepaalde verontreiniging kosteneffectief op te ruimen. Wanneer dat niet het geval is, dan kun je de verontreiniging laten gaan, mits de waterkwaliteit niet in gevaar komt. En als de waterkwaliteit wel in gevaar komt, dan is het mogelijk de drempel van kosteneffectiviteit tot wel een factor tien te verhogen. Blijkt dat nog niet afdoende, dan is het van belang nogmaals te kijken naar de daadwerkelijke risico’s die de verspreiding van de verontreiniging met zich meebrengt.”

Bron: Bodemplus