Promotie: Bedreigen sponzen koraalriffen?

Gepubliceerd 9 oktober 2019

Door klimaatverandering, vervuiling en overbevissing zijn opportunistische organismen zoals sponzen de koraalriffen aan het overnemen. Promovenda Alice Webb van het Koninklijk NIOZ onderzocht de onderliggende mechanismen waarmee boorsponzen het kalk van de koralen kunnen oplossen.

Koraalriffen bestaan omdat de bouw van kalk groter is dan de afbraak daarvan. Door klimaatverandering (oceaanverzuring en opwarming) en lokale bedreigingen (vervuiling en overbevissing) zijn opportunistische organismen zoals cyanobacteriën en sponzen de koraalriffen aan het overnemen. Sterker nog, deze ecologische opeenvolging van dominante soorten heeft op veel plekken de balans doen omslaan naar een verdwijning van het koraalrif.

Bioerosie

Met name in de Caribische Zee is dit proces goed zichtbaar: waar veel plekken 40 jaar geleden door gezond koraal werden gedomineerd,  is het koraal en de daarmee gepaard gaande biodiversiteit, nu vaak verdwenen. Een groot gedeelte van de bioerosie die op het rif plaatsvindt, wordt gedaan door een specifieke groep sponzen, die makkelijker koraal kunnen oplossen onder omstandigheden die nadelig zijn voor de groei van koraal. Ondanks hun ecologische relevantie, is nauwelijks bekend welke mechanismen zij gebruiken om het kalk van koralen op te lossen.

Verzuring

Alice Webb laat in haar promotieonderzoek de onderliggende mechanismen zien waarmee boorsponzen kalk kunnen oplossen: zij kunnen heel gericht de omgeving verzuren. Hierdoor lost het skelet van een koraal plaatselijk op waardoor er nieuwe ruimte ontstaat voor de spons om in te kunnen leven. Een serie van incubatie-experimenten laten zien dat de snelheid waarmee zij dit doen, toeneemt als de hoeveelheid kooldioxide en voedingsstoffen in het water toenemen. De verzuring die gepaard gaat met een toename van kooldioxide helpt het oplossen door de spons, wat inhoudt dat in de nabije toekomst het effect van deze sponzen op koraalriffen alleen maar zal toenemen. Incubaties met bodemgemeenschappen laten zien dat de mogelijkheid om nieuwe skeletten te bouwen nauwelijks in staat is om te compenseren voor de toename in oplossend vermogen.

Bron: Universiteit Utrecht