Duwtje in de rug voor innovatie dankzij proefvak Houtribdijk

Gepubliceerd 14 januari 2019

Voor de start van de versterking van de Houtribdijk met 10 miljoen m3 zand door Rijkswaterstaat, is er eerst een proefvak langs de dijk gelegd. Want: over zandversterkingen in een zoetwatermeer wisten we nog vrij weinig. Dankzij de kennispilot die onlangs is afgerond, is daar nu verandering in gekomen.

De Houtribdijk krijgt brede, zandige oevers tussen Trintelhaven en Enkhuizen. Deze zogenoemde vooroevers verminderen de golfslag tegen de dijk, waardoor deze veel minder zwaar belast wordt. Omdat zandige oevers nog niet eerder zijn toegepast in een zoetwatermeer ten behoeve van waterveiligheid, heeft Rijkswaterstaat een pilot laten uitvoeren waarvoor een proefvak is aangelegd langs de dijk.

Deze proefsectie is vier jaar gemonitord, waarbij onder andere de waterstanden en golfaanval continu zijn gemeten. Camera’s maakten elk uur een opname en ook de bodemligging is meerdere keren per jaar ingemeten. Het proefvak is inmiddels opgegaan in de brede, zandige oevers en de pilot is deze week formeel afgerond met de publicatie van een onderzoeksrapport.

Verrassende golfslag

Henk Steetzel was namens EcoShape projectleider van deze pilot. Ecoshape is een kennisconsortium dat kennis ontwikkelt en bundelt op het gebied van Building with Nature, ofwel bouwen met de natuur als uitgangspunt. Bijvoorbeeld door natuurlijk materiaal uit de omgeving van het project te gebruiken. Steetzel begon zijn carrière als waterbouwkundig ingenieur bij het oude Waterloopkundig Laboratorium en ging later werken bij Alkyon en tenslotte bij Arcadis, een van de marktpartijen die hun kennis delen in EcoShape. Steetzel: 'We weten al heel goed hoe zandversterking in het kustgebied reageert op de golven. En wat dit betekent voor het gewenste profiel van bijvoorbeeld zandversterkingen langs de kust. Maar in een meer zonder getij, zoals het IJsselmeer of Markermeer, werkt het heel anders. Het waterniveau is er constant en de golfbewegingen zijn minder voorspelbaar, onder andere vanwege de invloed van de wind. Dankzij het proefvak langs de dijk kwamen we erachter dat je de dijk vooral net onder de watergrens goed moet versterken. Tussen de watergrens en een meter daaronder, daar gebeurt het.' Rijkswaterstaat heeft dit resultaat verwerkt in het ontwerp van de Houtribdijkversterking.

Scepsis oevers Houtribdijk

De zandige, begroeide oevers langs de Houtribdijk verbeteren de waterkwaliteit en de ecologische diversiteit. Een mooie winst ten opzichte van traditionele breuksteenoevers. Toch is er nog wel eens scepsis binnen organisaties, merkte Steetzel. Maar: 'Dankzij het proefvak kregen mensen op tijd gevoel voor deze oplossing. Mijn motto is: verzamel niet alleen kennis, maar ook kennissen. Ofwel: ga praten met mensen en blijf uitleggen en vragen stellen. Vooral ook met de mensen die de dijk moeten beheren als wij als versterkingsproject weer weg zijn.' De kennis over zandige oevers die is opgedaan in de pilot is gevat in een aantal richtlijnen en handreikingen. Over het gewenste dijkontwerp, maar bijvoorbeeld ook over het vergunningenproces en over beheer en onderhoud. Als vervolg op de pilot onderzoekt Rijkswaterstaat nu hoe de zandige oevers op grote schaal zich in de praktijk ontwikkelen en wat dit betekent voor onder meer de waterveiligheid, ecologie, zandverstuiving en vegetatieontwikkeling.

Vervolg andere versterkingsprojecten

Kennis van de Pilot Houtribdijk over zandige oevers is inmiddels ook toegepast in andere natuur- en dijkversterkingsprojecten, zoals de Marker Wadden en de versterking van de Markermeerdijken. Naast het IJsselmeergebied ziet Steetzel in de toekomst nog wel meer toepassingen voor zich met voor zandige oevers. 'Denk aan de aan getijdenomgeving van dijken langs de Waddenzeekust, bijvoorbeeld in Friesland en Groningen. Ook zijn er mogelijkheden in de Zeeuwse wateren en misschien langs grote rivieren. Vaak is techniek niet het struikelblok; het gaat erom dat je dit soort innovaties tijdig bespreekt en dat je de tijd neemt om het met alle betrokkenen samen te ontwikkelen.'

Bron: Rijkswaterstaat