Matig broedsucces van kustbroedvogels in de Waddenzee

Gepubliceerd 12 november 2021

In de Nederlandse Waddenzee worden jaarlijks gegevens verzameld over het broedsucces van tien soorten kustbroedvogels. Een analyse van langetermijntrends in broedsucces (2005-2019) laat voor veel soorten onzekere trends zien, maar duidt er tegelijkertijd op dat de meeste soorten te weinig jongen grootbrengen om de populatie op termijn op peil te houden. Uit de recent gepubliceerde resultaten van 2019 blijkt dat er voor de meeste soorten nog geen herstel is van broedsucces en de negatieve trend in aantallen.

Predatie is een belangrijke oorzaak van mislukken van broedsels, vooral langs de vastelandskust. Bescherming van nestlocaties door ze minder toegankelijk te maken voor grondpredatoren – bijv. door elektrische rasters of omringen door water - leidt vaak tot succesvollere broedsels, maar is geen garantie voor een succesvol broedseizoen.

Inventarisatie 2019

In de Nederlandse Waddenzee werd in 2019 voor het 15e achtereenvolgende jaar op gecoördineerde en gestandaardiseerde wijze informatie verzameld over het broedsucces van tien verschillende soorten kustbroedvogels. Deze soorten worden zowel in de Nederlandse Waddenzee als in de Duitse en Deense Waddenzee gevolgd (Trilateral Monitoring and Assessment Program, TMAP) en zijn representatief voor specifieke habitats en voedselgroepen. Deze soorten zijn Lepelaar, Eider, Scholekster, Kluut, Kokmeeuw, Kleine Mantelmeeuw, Zilvermeeuw, Grote Stern, Visdief en Noordse Stern. Het reproductiemeetnet kustbroedvogels wordt uitgevoerd als een ‘early warning’ systeem om het reproducerend vermogen van de vogelpopulaties in de Waddenzee te volgen en de achterliggende processen van populatieveranderingen te doorgronden. Dankzij de inzet van vele vrijwilligers en professionals is er zicht op de ontwikkelingen – 2019 geeft geen beter signaal dan de jaren ervoor.

Broedresultaten in 2019 en langjarige trends geven wisselend beeld

Vergeleken met de hele periode 2005-2019, waren de broedresultaten in 2019 voor vier van de tien soorten aan de lage kant (Lepelaar, Eider, Scholekster, Kokmeeuw), voor twee soorten gemiddeld (Grote Stern, Visdief) en voor vier soorten goed (Kluut, Kleine Mantelmeeuw, Zilvermeeuw, Noordse Stern). Een analyse van langetermijntrends in broedsucces (vanaf 2005) laat voor veel soorten onzekere trends zien, door soms grote fluctuaties van jaar op jaar. Scholekster (stabiel), Kokmeeuw (afname) en Kleine Mantelmeeuw (toename) vertonen significante trends. Belangrijker is ook of de soorten voldoende jongen grootbrengen om de populatie in stand te houden - een stabiele trend van weinig jongen kan nog steeds betekenen dat het aantal jongen onvoldoende is. Vooral bij Scholekster, Kluut, Kokmeeuw en Noordse Stern blijkt dat het broedsucces structureel onder de maat is.

Geen zicht op herstel broedsucces

Deze bevindingen sluiten aan bij de conclusies van eerdere rapportages over het Meetnet Reproductie en een eerdere analyse van de demografie van (broed)vogels in de Waddenzee. Er is geen sprake van herstel wat betreft het broedsucces en de trend in aantallen bij de meeste soorten. Predatie is een belangrijke oorzaak van mislukken, vooral langs de vastelandskust, waar kolonies van kustbroedvogels tegenwoordig nog amper te vinden zijn.  Het wegspoelen van legsels of verdrinking van jongen, in eerdere jaren als belangrijke verliesoorzaak geïdentificeerd, kwam in 2019 weinig voor.

Bescherming van nestlocaties verbetert de kans op broedsucces

Legsels zijn doorgaans succesvoller als de nestlocaties worden beschermd door elektrische rasters of op andere wijze minder toegankelijk worden gemaakt voor grondpredatoren, zoals voorbeelden bij Kluut, Visdief en Noordse Stern langs de Groninger kust laten zien. De onderzoekers wijzen erop dat de rol van voedselbeschikbaarheid minder goed bekend is. In de komende jaren wordt daar meer onderzoek naar gedaan, onder andere in het “Wij en Wadvogelsproject”.

Nieuwe indicator in het Compendium voor de Leefomgeving

De hier gepresenteerde resultaten zijn verwerkt in een nieuwe CLO-indicator om het broedsucces van de broedvogels in de Waddenzee te volgen. Deze indicator is zo vormgegeven dat niet alleen is te zien hoe zich het broedsucces in de tijd ontwikkelt, maar ook hoe het zich verhoudt tot het broedsucces dat nodig is om de populatie stabiel te houden.

Bron: Wageningen University Research