Samenwerking en sturing

Homepage > Onderwerpen > Wetgeving en beleid > Waterwet > Samenwerking en sturing

Samenwerking en sturing

Inhoud pagina: Samenwerking en sturing

Het waterbeheer in Nederland is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. Uitgangspunt voor een doeltreffend optreden van deze overheden is samenwerking. Het Nationaal Bestuursakkoord Water is de basis voor deze samenwerking. In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening. Zie ook het thema water en ruimte. Het is mogelijk dat de belangenafweging van lagere overheden niet leidt tot een resultaat dat de regionale of (inter)nationale waterbeheerdoelstellingen ondersteunt. Daarom worden in de Waterwet aan het Rijk en de provincie bevoegdheden toegewezen om bij te sturen of in te grijpen. Deze bevoegdheden zijn nadrukkelijk geclausuleerd. Ze kunnen alleen worden toegepast als een nationaal (Rijk) of regionaal (provincie) samenhangend en doelmatig watersysteembeheer dat noodzakelijk maakt. Het moet dus om een aanwezige noodzaak en een bovenregionaal of bovenlokaal belang in het waterbeheer gaan.

Wat zegt de Waterwet over samenwerking en sturing?

Een dergelijke samenwerking behoeft geen regeling in de Waterwet. Wel moet de nieuwe wet  de instrumenten bieden om het watersysteem op orde te krijgen en te houden. Hierbij past een visie die gericht is op pro-actieve sturing. Deze komt tot uitdrukking in de formulering van concrete en afrekenbare normen, een op uitvoering gericht planstelsel en instrumenten om actief te kunnen (bij)sturen.

Hoe ziet het planstelsel eruit?

Voor de verschillende overheden ziet het planstelsel er als volgt uit:

  • In de plannen van Rijk en provincies wordt het landelijke respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid opgenomen. Voor het Rijk wordt dit het nationale waterplan (tot nu toe Nota waterhuishouding), voor de provincies de regionale waterplannen (tot nu toe Provinciale waterhuishoudingplannen). Het nationaal waterplan omvat ook een samenvatting van de vier stroomgebiedbeheerplannen en een samenvatting van het programma van maatregelen, zoals die zijn uitgewerkt in de plannen van provincies, waterschappen en gemeenten.
  • De plannen van de waterbeheerders (Rijkswaterstaat en waterschappen) worden waterbeheerplannen genoemd en zijn operationeel gericht. In de plannen worden de condities vastgelegd om de strategische doelstellingen van het waterbeheer te realiseren en worden concrete maatregelen beschreven (inclusief planning en kosten).
  • De gemeenten gebruiken voor de watertaken hun eigen planfiguren. Een verplicht waterplan voor de gemeenten zou denkbaar zijn, maar dit zou het planstelsel uitbreiden en de administratieve druk verhogen. Dit is niet nodig omdat er al gemeentelijke plannen zijn die een goede basis bieden. In de eerste plaats gaat het dan om het gemeentelijke rioleringsplan ( GRP) op basis van de Wet milieubeheer. In het kader van de invoering van de zorgplichten voor hemelwater en grondwater wordt dit plan verbreed. In de tweede plaats betreft het structuurvisies en bestemmingsplannen van de gemeenten op basis van de in 2008 herziene Wet ruimtelijke ordening, waarin ruimtelijke aspecten een plaats zullen krijgen.

Wanneer en hoe vindt (bij)sturing plaats?

In de praktijk betekent dit dat de provincie toezicht houdt op waterschappen en gemeenten, voor zover het gaat om de uitvoering van waterbeheertaken. Het Rijk houdt toezicht op de provincies. Dit wordt ook wel getrapt toezicht genoemd.
 
In de Waterwet wordt een uitzondering gemaakt op het getrapte toezicht als nationaal of internationaal waterbeleid dit noodzakelijk maakt. In dat geval is het Rijk bevoegd rechtstreeks toezicht te houden op overheden met operationele watertaken (‘getrapt toezicht, tenzij...’). De reden hiervoor is dat het Rijk wordt aangesproken als de doelen van bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water niet worden gehaald. De Waterwet biedt de rijksoverheid de instrumenten om een vinger aan de pols te houden en zo nodig direct zelf te kunnen bijsturen als dat noodzakelijk is vanuit het nationale belang. >De Waterwet kent een aantal instrumenten: Meer informatie over samenwerking en sturing vindt u onder hoofdstuk 3 ‘Organisatie van het waterbeheer’ van de Waterwet. Hoofdstuk 4 van de wet gaat over ‘Plannen’.

Welke instrumenten zijn er om (bij) te sturen?

  • Het stellen van regels door Rijk of provincie omtrent het verstrekken van informatie. Zo blijven Rijk en provincie, maar ook de andere overheden en burgers en bedrijven op de hoogte van de voortgang in het waterbeheer.
  • Het stellen van regels door Rijk of provincie voor de vaststelling, wijziging en inhoud van plannen en besluiten (zogenaamde instructie-amvb’s of -verordeningen). Hierin kunnen bijvoorbeeld de verplichte elementen van de Kaderrichtlijn Water worden aangeduid: deze moeten worden beschreven in de plannen van de overheden.
  • Het afsluiten van waterakkoorden door waterbeheerders en gemeenten in door Rijk of provincie aan te wijzen gevallen of gebieden. In een waterakkoord kunnen gezamenlijke afspraken over het waterbeheer worden vastgelegd. De waterwet kent ook het instrument van de bestuurlijke afspraken die tussen waterschap en gemeente kunnen worden gemaakt.
  • Het geven van aanwijzingen door Rijk of provincie in concrete gevallen, bijvoorbeeld als een bestuurlijke patstelling is of dreigt te ontstaan.
  • In-de-plaats-treding bij taakverwaarlozing indien onvoldoende uitvoering wordt gegeven aan een gegeven aanwijzing.   
Foto: Hofvijver, Den Haag
Stel een vraag
Nederland leeft met water
 

Helpdesk Water