Normering
Inhoud pagina: Normering
Hoe de KRW en (nationale) normering voor grond- en drinkwater zich tot elkaar verhouden
Normen voor grondwater zijn in Nederland verbonden aan beschermde gebieden voor drinkwater (kwaliteit), aan beschermde natuurgebieden (kwaliteit en kwantiteit) en in geval van verontreinigingen (op voorkomende locaties). De nationale wetgeving op dit gebied is onder impuls van de KRW in beweging.
Normering van stoffen (chemie)
Bij de normering van stoffen voor grondwater introduceert de Grondwaterrichtlijn (2006/EG/118) een nieuw begrip: drempelwaarden. Dit zijn milieukwaliteitseisen te vergelijken met die in bijlage I van de richtlijn zelf, waar al voor nitraten en bestrijdingsmiddelen een EU-norm is gesteld van respectievelijk 50 mg/l en van 0,1 mug/l / 0,5 mug/l (individueel / som). Het verschil is dat lidstaten voor alle andere relevante stoffen zelf een of meerdere drempelwaarden af moeten leiden en vaststellen, op basis van de aanbevolen stoffen in bijlage II en een eigen risico-inschatting. In Nederland is dat vooralsnog gebeurd voor zes stoffen. Nederland hanteert dan ook een groeimodel, waarbij het aantal stoffen waarvoor een drempelwaarde is afgeleid in de eerste planperiode 2010-2015 zal worden uitgebreid.
De rol van drempelwaarden bij de toestandbepaling
Drempelwaarden - en de communautaire normen uit bijlage I van de Grondwaterrichtlijn - spelen een belangrijke rol bij het bepalen van de toestand van een grondwaterlichaam. Volgens het protocol toetsen grondwaterkwaliteit is bij een overschrijding van de drempelwaarde een passend onderzoek noodzakelijk. In dat passend onderzoek wordt vervolgens gekeken naar de aantallen meetpunten waar een overschrijding van de drempelwaarde is geconstateerd. In Nederland is afgesproken dat het eindoordeel per stof ontoereikend is als het aantal meetpunten waar wordt overschreden meer dan 20% bedraagt van het totaal aantal meetpunten per grondwaterlichaam. Deze norm van 20% is overgenomen uit de EU guidance no18. In de periode tot 2015 zal worden bekeken of er aanleiding is om dit percentage nader te beschouwen voor het volgende SGBP, mede ingegeven door de opstelling van andere lidstaten hierin.
Stand van zaken
Er is in Nederland gekozen voor drie stoffen waarvoor geen uitsplitsing is gemaakt naar grondwaterlichamen (dus overal dezelfde norm) en drie stoffen die wel per grondwaterlichaam kunnen verschillen. Uniforme drempelwaarden zijn opgesteld voor nikkel (30 mug/l), cadmium (0,5 mug/l) en lood (11 mug/l); stoffen waarvoor de drempelwaarde kan varieren zijn arseen, chloride en fosfaat ( Ptot). Voor enkele zoute grondwaterlichamen is geen drempelwaarde afgeleid voor chloride omdat deze stof daar van nature in hogere concentraties voor komt.
De drempelwaarden zijn juridisch vastgelegd in het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water 2009, afgekort BKMW, welke eind 2009 door de Ministerraad is vastgesteld.
Kennishiaten
Methodisch hanteert Nederland een groeimodel bij het afleiden van drempelwaarden. Op het gebied van verdunning en afbraak (hoe verdisconteer je die?), statistische benadering (welke waarden laat je buiten beschouwing?) en stofkeuze is nog een aantal stappen te zetten. Bijlage II van de GWR geeft een lijst met stoffen waarvoor lidstaten dienen te overwegen om een drempelwaarde af te leiden. Aan al deze stoffen is aandacht besteed. Sommige stoffen zijn daarbij door RIVM beoordeeld als minder urgent voor het afleiden van drempelwaarden vanwege een verminderd humaan risico. Op deze gebieden zal de komende jaren worden gewerkt aan nieuwe inzichten op basis van nieuwe monitoringsresultaten.
Achtergrondinformatie
Bijlage H van het stroomgebiedbeheerplan beschrijft de afleidingsmethodiek en de daarbij geconstateerde verbeterpunten.
Het RIVM heeft over drempelwaarden ook verschillende documenten gepubliceerd (zie o.a. de referentielijst uit het SGBP en de rechterkolom op deze pagina).
Kwantiteitsnormen
In de KRW is bepaald dat voor grondwater bij de toestandbeoordeling rekening moet worden gehouden met vier elementen:
- waterbalans
- zoet-zout
- effecten op oppervlaktewaterlichamen
- effecten op terrestrische ( grondwaterafhankelijke) natuur
Verder is in bijlage V van de KRW gesteld dat er geen significante achteruitgang mag plaats vinden van grondwaterstanden. In Nederland is dit geinterpreteerd als een achteruitgang sinds 2000 (in werking treden van de KRW).
Het is aan lidstaten om aan deze bepaling verder invulling te geven, met andere woorden: de EU schrijft niet voor bij welke mate van effecten door intrusies (indringing van zout) bijvoorbeeld er sprake is van een overschrijding van de norm. Zie verder het onderdeel toestandbeoordeling.
Afgezien van de vereisten van de KRW stellen natuurgebieden ook eisen aan grondwaterstanden, die niet wettelijk zijn beschreven. Bij het vaststellen van de gebiedsdossiers Natura2000 zal echter wel worden uit gegaan van beleidsmatig vastgelegde gewenste grondwaterstanden ( GGOR), die daarmee feitelijk ook als norm gaan dienen. Deze norm is echter niet in rechte afdwingbaar en dient door middel van handhaving, vergunningverlening en ruimtelijk ordeningsbeleid tot stand te worden gebracht.
Overige normen voor grondwater
Bij het afleiden van drempelwaarden is onder meer gekeken naar menselijk gebruik (wat voor menselijke consumptie). Voor het drinkwater gelden zowel in Europa als in Nederland zelf al lang de eisen uit de Drinkwaterrichtlijn en het Waterleidingbesluit (te vervangen voor Drinkwaterbesluit). Deze drinkwaternormen zijn echter afwijkend van drempelwaarden omdat a) waterbedrijven het grondwater aanvullend zuiveren om kwaliteitsverbetering te bereiken en b) de Drinkwaterwet aan meer stoffen eisen stelt dan waarvoor nu drempelwaarden zijn afgeleid.



