Begrenzing grondwaterlichamen

Homepage > Onderwerpen > Wetgeving en beleid > Kaderrichtlijn Water > Grondwater en de KRW > Begrenzing grondwaterlichamen

Begrenzing grondwaterlichamen

Inhoud pagina: Begrenzing grondwaterlichamen

Indeling grondwaterlichamen

Grondwaterlichamen zijn volgens de definities uit de KRW (2000/60EG) afzonderlijke grondwatermassa's in een of meer watervoerende lagen. Doelen en maatregelen hebben in de KRW betrekking op grondwaterlichamen en niet op afzonderlijke watervoerende pakketten. Voor de begrenzing van grondwaterlichamen heeft Nederland de internationale richtlijnen gevolgd.

Stand van zaken

In chronologische volgorde is omtrent de begenzing van grondwaterlichamen hetvolgende afgesproken:

  • 15-1-2003 : EU publicatie “Identification of water bodies: Horizontal guidance document on the application of the term “water body” in the context of the Water Framework Directive”.
  • 03-03-2003: Aanzet afbakening grondwaterlichamen van het rijk (Meinardi, 2003).
  • 22-05-2003: Aanpak grondwater binnen KRW wordt besproken in een seminar met betrokkenen van rijk, provincie en waterschappen (IKW Seminar Grondwater). Voorstel is om een top down benadering te volgen (karakterisering van grof naar fijn), waarbij in eerste instantie het initiatief bij het rijk ligt. Communicatie met de provincies wordt versterkt en het initiatief zal ook later door de provincies worden overgenomen.
  • 2003-2004: Rijk (RIZA/RIVM) werkt in overleg met de provincies de eerste karakterisering uit. Daarbij worden er extra grondwaterlichamen onderscheiden (duinen, verdere opsplitsing Rijn naar deelstroomgebieden, diepe grondwaterlichamen in Schelde en Noord-Brabant).
  • 21-12-2004: Art 5 rapportage is vastgesteld met daarin 20 grote grondwaterlichamen, 2 diepe grondwaterlichamen (Schelde, Centrale slenk), circa 300 kleine grondwaterlichamen en 20 grensoverschrijdende grondwaterlichamen. In totaal circa 400 grondwaterlichamen. De grondwaterlichamen worden als voorlopig beschouwd aangezien de grondwaterrichtlijn en het monitoringsprogramma voor grondwater nog moet worden vastgesteld. De rapporten komen maart 2005 beschikbaar.
  • 17-05-2005: In het Regionaal Afstemmings Overleg is geconcludeerd dat de regio’s de gedane indeling gaan aan passen. Grontmij heeft voor de kustprovincies geïnventariseerd welke ideeën en behoeften er in de regionale werkgroepen grondwater zijn om de indeling van de grote grondwaterlichamen aan te passen of te verfijnen. Dit heeft geleid tot de introductie van brakwater (zout) grondwaterlichamen, het laten vervallen van kleine grondwaterlichamen en een andere benadering van de klei/veen grondwaterlichamen (worden niet meer apart aangewezen).
  • 01-11-2006: LBOW gaat akkoord met het voorstel tot aanpassing in de nieuwe begrenzing van grondwaterlichamen. Dit levert in totaal 23 grondwaterlichamen op voor Nederland.
  • 22-12-2008: De laatste stand van zaken ten aanzien van afbakening grondwaterlichamen  is opgenomen in de concept stroomgebiedbeheersplannen, welke in december 2009 bestuurlijk worden vastgesteld.

Kennishiaten

  1. Ten behoeve van de monitoring van zoutwaterintrusie is een hoofdgrens voor zoet-zout grondwater bepaald, maar deze wijkt af van de begrenzing van brak/zout grondwaterlichamen. Dat kan inconsequent overkomen en tot vragen leiden bij de EU. Bij de herkarakterisering 2013 lijkt het verstandig om nadere aandacht te besteden aan de stratificatiekarakteristiek (o.a. zout-brak-zoet verdeling) van het grondwater.
  2. De huidige kaart met grondwaterlichamen houdt op bij de grens land – oppervlaktewater. Daarmee is het grondwater onder de rijkswateren (bijvoorbeeld het IJsselmeer) buiten beeld voor de KRW en geen onderdeel van het SGBP. De vraag is of dat vanuit de KRW correct is.
  3. Tabel 1-3 in het (ontwerp-) SGBP Rijn-Delta geeft aanleiding tot vragen over dikten (met name in de duinen). Hier is een nadere beschrijving van de verdeling van zout water versus zoet wenselijk, zodat zicht ontstaat op het volume zoet water.
  4. De uitwerking van grensoverschrijdende grondwater (begrenzing, karakterisering, monitoring) verdient nadere aandacht, mede ingegeven door de monitoringsverschillen aan weerszijden van de grens.
  5. De toestandbepaling uit het (ontwerp-) SGBP heeft geleerd dat de omvang van grondwaterlichamen vrij omvangrijk is om lokale invloeden op bijvoorbeeld terrestrische natuurgebieden en oppervlaktewaterlichamen goed te beschrijven. Ook uit internationale vergelijking in opdracht van DGW  komt dit naar voren (2009). 

Achtergrondinformatie

  • Meinardi, K., 2003. Uitgangspunten voor de karakterisering van het Nederlandse grondwater voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), Discussienota RIVM.
  • Grontmij, 2005. Grondwater KRW 2005: Herindeling Grondwaterlichamen ? Notitie t.b.v. workshop KRW-werkprogramma grondwater 19 mei 2005.
  • Verkeer en Waterstaat (tegenwoordig Infrastructuur en Milieu), maart 2005. Rapportage karakterisering stroomgebieden Rijn-Delta, Maas, Eems, Schelde (art 5 KRW).
  • Verkeer en Waterstaat (tegenwoordig Infrastructuur en Milieu), 22 december 2008, Ontwerp Stroomgebiedsplannen Rijn-Delta, Maas, Eems, Schelde.
 

Helpdesk Water