Besluit kwaliteitseisen monitoring water

Homepage > Onderwerpen > Wetgeving en beleid > Kaderrichtlijn Water > Besluit kwaliteitseisen monitoring water

Besluit kwaliteitseisen monitoring water

Inhoud pagina: Besluit kwaliteitseisen monitoring water

Besluit kwaliteitseisen monitoring water 2009 treedt in werking

Het Besluit kwaliteitseisen monitoring water 2009 (Bkmw 2009, beter bekend als AMvB Doelstellingen) en de onderliggende Ministeriële Regeling monitoring kaderrichtlijn water (MR Monitoring) zijn op respectievelijk 17 maart 2010 en 14 april in werking getreden.

Doelen deels in Bkmw, deels in MR Monitoring, deels in waterplannen

Het Bkmw en de onderliggende MR Monitoring bevatten normen voor de chemische en ecologische toestand van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen.

Gevolgen voor individuele besluiten op grond van de Waterwet

Hoewel de milieukwaliteitseisen uit het Bkmw 2009 niet gekoppeld zijn aan bijvoorbeeld het besluit tot het verlenen van een watervergunning, moet een waterbeheerder bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden op grond van de Waterwet toch rekening houden met de chemische en ecologische doelstellingen, die in de voor zijn waterlichamen geldende waterplannen zijn vastgelegd.

Gevolgen voor wateren, die niet zijn aangewezen als waterlichaam

In Nederland zijn niet alle oppervlaktewateren aangewezen als waterlichamen in de zin van de KRW. Over het algemeen zijn alleen oppervlaktewateren van enige omvang aangewezen als waterlichaam, en zijn de vele slootjes, duinrellen en andere kleine oppervlaktewatertjes die Nederland rijk is dus niet allemaal aangewezen.

 

BladwijzerBesluit kwaliteitseisen monitoring water 2009 treedt in werking

Het Besluit kwaliteitseisen monitoring water 2009 (Bkmw 2009, beter bekend als AMvB Doelstellingen) en de onderliggende Ministeriële Regeling monitoring kaderrichtlijn water (MR Monitoring) zijn op respectievelijk 17 maart 2010 en 14 april in werking getreden. Het Bkmw 2009 en de MR Monitoring regelen de omzetting in Nederlands recht van de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW), inclusief de doelstellingen van de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritaire stoffen. De doelstellingen voor de goede chemische toestand en de goede ecologische toestand voor oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen worden hiermee vastgelegd in de vorm van milieukwaliteitseisen op grond van hoofdstuk 5 Wm. Deze milieukwaliteitseisen zijn gekoppeld aan de besluiten tot vaststelling van plannen op grond van de Waterwet. Naast het Nationale Waterplan (NWP), dat voor alle wateren geldt, gaat het voor Rijkswateren hierbij om het vaststellen van het Beheerplan voor de Rijkswateren (BPRW). Voor regionale wateren gaat het hierbij om het vaststellen van de waterplannen van provincie en waterschap. Bij de vaststelling van het NWP, het BPRW 2009-2015 en de regionale waterplannen voor 2009-2015 is al rekening gehouden met de concepten van deze regelgeving. De MR monitoring stelt eisen aan het monitoringsprogramma dat binnenkort door de verantwoordelijke ministers van VROM, VenW en LNV officieel zal worden vastgesteld. Het programma bestaat uit een bundeling van documenten waarmee in de praktijk al werd gewerkt. Om die reden treden het Bkmw 2009 en de MR Monitoring zonder overgangsrecht in werking. De teksten van het Bkmw 2009 en de MR Monitoring zijn te vinden op de website van de Helpdesk Water.

BladwijzerDoelen deels in Bkmw, deels in MR Monitoring, deels in waterplannen

Het Bkmw en de onderliggende MR Monitoring bevatten normen voor de chemische en ecologische toestand van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen. De AMvB bevat ten aanzien van oppervlaktewaterlichamen:

  • Richtwaarden voor de chemische toestand van alle oppervlaktewaterlichamen, te weten de stofnormen uit de Richtlijn prioritaire stoffen (een dochterrichtlijn die is vastgesteld op grond van de KRW);
  • Richtwaarden voor de goede ecologische toestand voor natuurlijke oppervlaktewaterlichamen;
  • Richt- en streefwaarden ten aanzien van oppervlaktewater dat gebruikt wordt voor het winnen van drinkwater. 
  • Het Bkmw bevat daarnaast richtwaarden voor de goede toestand van grondwaterlichamen.

De MR Monitoring bevat indicatoren, die aangeven wanneer is voldaan aan de richtwaarden voor de goede ecologische toestand van oppervlaktewateren. Het gaat dan om indicatoren voor de biologische kwaliteitselementen (vissen, waterplanten, bodemleven en algen) en om de ondersteunende parameters van de goede ecologische toestand, zoals stikstof en fosfaat. Hier vallen ook een groot aantal bestaande stofnormen voor overige relevante stoffen onder (de oude 76/464-normen, die eerder waren vastgelegd in de Regeling gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren). Deze zijn overgenomen in een tabel in de bijlage bij de MR Monitoring. Voor het overige wordt vooral verwezen naar de bestaande STOWA-rapporten, waarin de ecologische toestand van oppervlaktewaterlichamen voor Nederland nadere invulling heeft gekregen.

Voor kunstmatige en sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen kan een goed ecologisch potentieel worden afgeleid: een minder ambitieuze doelstelling, waarbij rekening is gehouden met de onomkeerbare hydromorfologische ingrepen die in deze waterlichamen zijn gedaan en die wordt afgeleid op basis van de richtwaarden voor de goede ecologische toestand van het meest gelijkende natuurlijke watertype. Voor Rijkswateren is het goede ecologische potentieel per waterlichaam afgeleid en onderbouwd in het BPRW 2009- 2015. Voor regionale wateren is dit gebeurd in de waterplannen van de provincies.

In de waterplannen wordt daarnaast voor elk waterlichaam aangegeven of de daarvoor geldende KRW-doelstellingen in 2015 zullen worden gehaald, en of (en zo ja, waarom) er gebruik wordt gemaakt van één van de uitzonderingsmogelijkheden die de KRW biedt, zoals fasering of doelverlaging. Ook is per waterlichaam een overzicht opgenomen van de waterlichaamspecifieke maatregelen die de waterbeheerders in de komende planperiode gaan nemen om de KRW-doelstellingen te gaan halen, zoals het aanleggen van natuurvriendelijke oevers of vistrappen. Daarnaast geldt op grond van het NWP voor alle waterlichamen een groot aantal generieke maatregelen, zoals het bestaande reductiebeleid voor milieubelasting vanuit diffuse bronnen. In de waterplannen van de waterbeheerders wordt hiernaar verwezen. Voor lozingen van stoffen zijn vooral dit soort generieke maatregelen van belang.

BladwijzerGevolgen voor individuele besluiten op grond van de Waterwet

Hoewel de milieukwaliteitseisen uit het Bkmw 2009 niet gekoppeld zijn aan bijvoorbeeld het besluit tot het verlenen van een watervergunning, moet een waterbeheerder bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden op grond van de Waterwet toch rekening houden met de chemische en ecologische doelstellingen, die in de voor zijn waterlichamen geldende waterplannen zijn vastgelegd. Ten eerste is één van de doelen van de Waterwet het bevorderen en beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het (oppervlakte)water. Hiermee wordt volgens de Memorie van Toelichting gedoeld op de relevante KRW-doelstellingen. Bovendien dient een bestuursorgaan op grond van de Algemene wet bestuursrecht bij het nemen van besluiten rekening te houden met zijn eigen beleid, waaronder dus ook de waterplannen. Voor Rijkswateren is in het BPRW 2009-2015 een toetsingskader voor individuele besluiten opgenomen, dat regelt dat de KRW-doelstellingen zoals die zijn vastgelegd in het plan in veel gevallen toch betrokken moeten worden bij het vaststellen van watervergunningen, projectplannen en andere besluiten op grond van de Waterwet. Aangezien dit toetsingskader al op 22 december 2009 in werking is getreden, moet hier bij de afhandeling van alle aanvragen van watervergunningen, die op of na 22 december 2009 zijn ingediend, rekening mee worden gehouden. Voor de waterschappen geldt op grond van het NWP een vergelijkbaar toetsingskader.

De waterbeheerder dient zich op grond van deze toetsingskaders bij elk besluit dat hij neemt op grond van de Waterwet, waarbij een nieuwe activiteit of uitbreiding van een bestaande activiteit wordt toegestaan, af te vragen: blijft het behalen van de KRW-doelen zoals vastgelegd in het waterplan voor het relevante waterlichaam nog wel mogelijk als deze activiteit ongewijzigd doorgang vindt?Hierbij wordt enerzijds gekeken naar emissies van verontreinigende stoffen en anderzijds naar de effecten van fysieke ingrepen op de ecologie. Activiteiten, waarvan de effecten in het kader van het opstellen van het waterplan al beoordeeld en meegenomen zijn, hoeven in principe niet opnieuw integraal getoetst te worden aan de KRW-doelen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de maatregelen uit het KRW-maatregelenpakket. Hiervan is in het stadium van planvorming al uitvoerig onderzocht in hoeverre deze bijdragen tot het halen van de KRW-doelen. Om die reden bieden de toetsingskaders voor dit soort activiteiten een eenvoudigere oplossing. 

De toetsingskaders vormen vooralsnog een aanvulling op het bestaande beleid, en worden alleen toegepast indien de activiteit of ontwikkeling op grond van het bestaande beleid zou worden toegestaan. Zo wordt voor lozingen het toetsingskader op dit moment slechts toegepast, indien deze op grond van de emissie-immissietoets al aanvaardbaar zijn gevonden. Op deze manier wordt niet onnodig extra getoetst aan de doelen van de KRW. Een aanvullende toetsing op waterlichaamniveau blijft echter wel nodig, omdat het bestaande beleid primair op lokaal niveau toetst (bij lozingen bijvoorbeeld aan de rand van de mengzone). Het bestaande milieubeleid in Nederland biedt al een hoge mate van bescherming voor de waterkwaliteit. Naar verwachting zal de aanvullende toetsing daarom in het merendeel van de gevallen geen extra beperkingen opleveren. Het toetsingskader is bedoeld om waterbeheerders op basis van een aantal heldere criteria onderscheid te laten maken tussen situaties, waarin gewoon vergund kan worden zonder verder onderzoek (ja, mits), en situaties waarin de aangevraagde vergunning niet zomaar kan worden verleend (nee, tenzij). Voor deze laatste gevallen zal extra overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder vereist zijn.

Het naast elkaar bestaan van deze toetsingskaders en het bestaande beleid is in beginsel bedoeld als voorlopige oplossing. Voor de toetsing van lozingen van stoffen is inmiddels een nationaal instrument ontwikkeld, vastgelegd in het Handboek Immisietoets. Van de beide toetsingskaders is dus enkel de toetsing op ecologische aspecten nog van toepassing. Er zijn initiatieven om ook voor de ecologische toetsing tot een nationaal instrument te komen (nog geen termijn bekend waarop dit gereed zal zijn). Het Handboek Immissietoets is per 1 januari 2012 tevens aangewezen als BBT-document in de Regeling omgevingsrecht.

BladwijzerGevolgen voor wateren, die niet zijn aangewezen als waterlichaam

In Nederland zijn niet alle oppervlaktewateren aangewezen als waterlichamen in de zin van de KRW. Over het algemeen zijn alleen oppervlaktewateren van enige omvang aangewezen als waterlichaam, en zijn de vele slootjes, duinrellen en andere kleine oppervlaktewatertjes die Nederland rijk is dus niet allemaal aangewezen. De richtwaarden uit het Bkmw zien alleen op waterlichamen, die als zodanig zijn aangewezen op grond van de KRW, en dus niet op alle oppervlaktewateren in de zin van de Waterwet. Dit betekent bijvoorbeeld, dat voor de voornoemde slootjes in de waterplannen geen goed ecologisch potentieel hoefde te worden afgeleid, omdat de doelstellingen voor de goede ecologische toestand hier niet één op één gelden. Dit betekent echter niet, dat de KRW-doelstellingen zoals die zijn vastgelegd in het Bkmw en de waterplannen helemaal geen betekenis hebben buiten de aangewezen waterlichamen. Ten eerste kan de kwaliteit van niet-aangewezen waterlichamen invloed hebben op de toestand van de KRW-waterlichamen, en kunnen de waterbeheerders dus het verbeteren van de waterkwaliteit in niet-aangewezen waterlichamen als KRW-maatregel opnemen in hun waterplan. Ten tweede is in het NWP opgenomen, dat de getalswaarden die in het kader van het Bkmw, de MR Monitoring en de waterplannen zijn vastgelegd wel gebruikt kunnen worden door de waterbeheerders als vertrekpunt bij het maken van afwegingen ten aanzien van niet-aangewezen waterlichamen.

 

Helpdesk Water