Meststoffen
Inhoud pagina: Meststoffen
Stikstof en fosfaat belasten het oppervlaktewater. Dit komt onder meer tot uitdrukking in algenbloei en overmatige aanwezigheid van kroos. Hierdoor verdwijnen waterplanten, vertroebelt het water en wordt de visstand eenzijdig.
Normen voor N en P in oppervlaktewater
De KRW vereist dat de algemene fysisch-chemische toestand van waterlichamen wordt bepaald en normen voor relevante parameters (waaronder N en P) worden opgesteld. De normen voor oppervlaktewaterlichamen in rijkswateren zijn vastgelegd in het beheerplan voor de rijkswateren (BPRW) en voor de overige oppervlaktewaterlichamen in het regionale waterplan
Zie ook de nota van toelichting bij het Besluit kwaliteitseisen en monitoring.
Uit toetsing van de meetgegevens uit 2007 blijkt dat in ruim 50 tot 80 procent van de oppervlaktewaterlichamen N en P niet aan de normen voldoen (Water in Beeld, 2009).
Herkomst
Van de vrachten die Nederland via de grote rivieren verlaten is een groot deel afkomstig uit het buitenland. De kwaliteit van de regionale wateren wordt echter voor een groot deel bepaald door binnenlandse bronnen. De landbouw is verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de belasting van deze wateren met nutriënten. De fosfaatbelasting was in 2005 voor 49% uit de landbouw afkomstig. Voor stikstof was het aandeel in de belasting 54%. Meststoffen kunnen direct via het meemesten van sloten en indirect door uit- en afspoeling in het oppervlaktewater terechtkomen.
Meemesten kan voorkomen worden door een goede afstelling van de toedieningsapparatuur en door voldoende afstand tot de sloot te houden. Beide maatregelen worden voorgeschreven in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Voor uit- en afspoeling is de situatie meer complex. Hier spelen de hoeveelheid mest die op het land wordt gebracht, de bodemsoort, de grondwaterstand en de meteorologische omstandigheden een belangrijke rol. Daarnaast zijn de in de loop van de tijd opgebouwde bodemvoorraden, met name die van P, van groot belang. De uit- en afspoeling worden geschat met behulp van modellen. Belasting van het oppervlaktewater met nutriënten uit de landbouw kunnen worden verminderd door vermindering van de mestgiften, en door aanvullende, effectgerichte maatregelen, zoals het instellen van mestvrije zones op het perceel. In het watersysteem zelf kunnen effectgerichte maatregelen als hermeandering van beken, en wegvangen van witvis in ondiepe meren, de effecten van de verhoogde concentraties N en P verminderen.
Beleid
Het beleid ten aanzien van meststoffen wordt grotendeels bepaald door de eisen die gesteld worden in de Europese Nitraatrichtlijn. Naar aanleiding van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in oktober 2003 heeft Nederland haar mestbeleid moeten aanpassen, omdat het niet voldeed aan de Code van goede landbouwpraktijken zoals die in de Nitraatrichtlijn wordt voorgeschreven. Het systeem van verliesnormen (MINAS) is daarom per 1 januari 2006 verlaten. In het derde (2006-2009) en vierde (2010-2013) actieprogramma Nitraatrichtlijn wordt het nieuwe systeem van gebruiksnormen beschreven voor het gebruik van dierlijke mest en voor de totale hoeveelheid stikstof en fosfor die per hectare mag worden opgebracht. Het stelsel van gebruiksnormen is per 1 januari 2006 ingegaan, de normen zijn opgenomen in de uitvoeringsregeling van de meststoffenwet en zullen de komende jaren stapsgewijs worden aangescherpt. Voor fosfaat is het streven om in 2015 tot evenwichtsbemesting te komen. In het vierde actieprogramma wordt daarbij een nieuw systeem van fosfaatgebruiksnormen gehanteerd, dat rekening houdt met de fosfaattoestand van de bodem. Voor grasland heeft Nederland ontheffing ("derogatie") aangevraagd, om ruimere dierlijke mestgiften te mogen toepassen. Derogatie is in 2005 toegekend voor de periode 2006-2009 en in 2009 verlengd voor de periode 2010-2013. In de actieprogramma's staat ook beschreven welke aanvullende maatregelen genomen zullen worden om de belasting van het oppervlaktewater te beperken. Voorbeeld hiervan zijn regels met betrekking tot de opslag van mest, beperking van de periode waarin de mest mag worden uitgereden, en het instellen van 5 meter brede bufferstroken (mestvrije zones) langs ecologisch kwetsbare beken in Hoog Nederland. Deze laatste maatregel is vastgelegd in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. In de onderhandelingen over het derde actieprogramma heeft Nederland toegezegd veldonderzoek uit te voeren naar de effectiviteit van mestvrije zones. Dit wordt uitgevoerd door Alterra.
Kaderrichtlijn Water
De Kaderrichtlijn Water vereist een goede ecologische toestand in 2015. In de stroomgebiedbeheerplannen (SGBP-en) geven de waterbeheerders aan dat naar verwachting globaal sprake zal zijn van 40-60 procent doelrealisatie voor de normen van nutriënten in 2015. In opdracht van het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat (nu Ministerie van Infrastructuur en Milieu) is in 2008 door het PBL een ex ante evaluatie van de KRW uitgevoerd. In Kwaliteit voor later wordt het behalen van volledig doelbereik in 2027 ten aanzien van nutriënten als moeilijk ingeschat. Dit heeft vooral te maken met nalevering van P uit de bodemvoorraad die door overbemesting in het verleden is ontstaan. Daarnaast kunnen ook kwel in de kustzone en veenafbraak leiden tot verhoogde P-concentraties in het oppervlaktewater. Voor de KRW is het generieke mestbeleid leidend om nutriëntenemissies uit de land- en tuinbouw terug te dringen. In de 1ste generatie SGBP-en zijn daarnaast aanvullende vrijwillige landbouwmaatregelen opgenomen. De effecten van voorgenomen en potentieel aanvullende maatregelen zijn doorgerekend in Kwaliteit voor later en de in opdracht van LNV uitgevoerde Ex-ante evaluatie landbouw en KRW. Voor verdere aanvullende maatregelen wordt verwezen naar de projecten
Doelen Kaderichtlijnwater
Om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te bereiken heeft de Nederlandse overheid watergerelateerde maatregelen opgenomen in het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2). Daarnaast worden innovatieprojecten gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit gestimuleerd. Ten behoeve van het Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water heeft de regering €75 miljoen beschikbaar gesteld. Over de besteding van €35 miljoen van de beschikbare gelden is reeds besloten. Een aanzienlijk deel van de beschikbare gelden wordt gebruikt voor de aanpak van verontreinigingen door de landbouw. Het Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water wordt door SenterNovem uitgevoerd.
Evaluatie
Het mestbeleid wordt vierjaarlijks geëvalueerd. De laatste evaluatie heeft in 2007 plaatsgevonden. De resultaten van de evaluatie staan beschreven in "Werking van de Meststoffenwet 2006 en Verkenning milieugevolgen van het nieuwe mestbeleid". De volgende evaluatie zal in 2011 worden uitgevoerd.
Modellen
Voor het bepalen van de uit- en afspoeling van nutriënten vanaf landbouwgronden is de modellenreeks Stone beschikbaar. Stone is ontwikkeld door Alterra, RIVM en RWS Waterdienst.
De resultaten van Stone worden gebruikt voor het doen van landelijke uitspraken omtrent de uit- en afspoeling. Gecombineerd met hydrologische en oppervlaktewaterkwaliteitsmodellen kan vervolgens de invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater inzichtelijk worden gemaakt.
Meer informatie over Stone kunt u vinden op de website van emissieregistratie in het document "Uit- en afspoeling nutrienten door landbouw en natuurbodems".
Monitoring
Voor de Rijkswateren worden gegevens verstrekt via Water in beeld / water in cijfers. De invloed van landbouw is duidelijker herkenbaar in de kleinere, regionale wateren. In het rapport "Mest en Oppervlaktewaterkwaliteit - een terugblik 1985 - 2000 wordt dit in beeld gebracht en wordt de relatie tussen landbouwkundige activiteiten en de waterkwaliteit nader geanalyseerd.
Pilotgebieden
Om ook op stroomgebied inzicht te krijgen in de relatie tussen landbouwkundige activiteiten en waterkwaliteit, wordt in 4 pilotgebieden intensieve monitoring gecombineerd met modelering. Dit moet naast inzichten in de lotgevallen van N en P op stroomgebiedniveau ook leiden tot een blauwdruk voor optimalisatie van monitoring ten behoeve van het mestbeleid.
DOVE-project
Op perceelsniveau zijn veldstudies uitgevoerd waarbij de lotgevallen van nutriënten vanaf de mestgift tot en met de emissies van N en P naar grond- en oppervlaktewater gemonitord zijn. Voorbeelden zijn het Dove-project (Diffuse belasting van het oppervlaktewater door de veehouderij; DOVE) en onderzoek in het stroomgebied van de Hupselse beek. In 2007 is het eindrapport van het DOVE-project verschenen.



