Gedoogplichten
Gedoogplichten in de Waterwet
Met een gedoogplicht zorgt de overheid ervoor dat bepaalde werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, ongeacht de toestemming van een eigenaar of andere rechthebbende van grond. Het betreft activiteiten die geen onteigening rechtvaardigen en waarbij de belangen van de rechthebbende – in verhouding tot het doel dat de overheid dient – nauwelijks worden geschaad. Het gaat meestal om onderzoek of onderhoudswerkzaamheden, maar sinds de invoering van de Waterwet kan het ook gaan om het dulden van bepaalde wateroverlast. In de Waterwet zijn de volgende gedoogplichten opgenomen.
-
Onderzoeken. De artikelen 5.20 tot en met 5.22 behandelen de plicht om onderzoeken te gedogen. Dit zijn onderzoeken ter voorbereiding van aanleg, onderhoud en herstel van waterstaatswerken en in het kader van monitoring. Ook onderzoek naar bijvoorbeeld de kwaliteit van te ontgraven baggerspecie en naar de aard en omvang van waterbodemverontreiniging en de verplaatsing van verontreiniging door (grond)waterstromen valt hieronder. De beschikking van de onderzoeksgedoogplicht moet per geval twee weken voor het onderzoek begint bekend worden gemaakt. De eis van twee weken vervalt in spoedeisende gevallen. Tegen de beschikking staat bezwaar en beroep open.
-
Onderhoud en herstelwerkzaamheden. Artikel 5.23 betreft onderhoud- en herstelwerkzaamheden. Het komt ongeveer overeen met de artikelen 9 en 11 Waterstaatswet 1900. Het verschil is dat de Waterstaatswet 1900 concrete werkzaamheden opsomde, terwijl artikel 5.23 het bij redelijk algemene termen houdt. Door dit artikel kan de beheerder gronden van derden betreden om onderhoudswerkzaamheden aan waterstaatswerken uit te voeren. Het tweede lid verplicht een rechthebbende om bij het onderhoud vrijkomende specie en maaisel op zijn grond te gedogen. Deze verplichting gaat niet in alle gevallen onverkort op. Er kunnen bijvoorbeeld fysieke belemmeringen zijn, zoals bebouwing. Schade die ontstaat door verontreiniging van de grond als gevolg van deze gedoogplicht moet worden vergoed. Het is een wettelijke plicht om onderhoud- en herstelwerkzaamheden te gedogen. De beheerder hoeft dus niet eerst een beschikking aan betrokkenen te sturen, maar moet hen wel ten minste 48 uur van tevoren schriftelijk op de hoogte brengen. Een gedoogplicht die van kracht is als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 12 of 12 a van de Waterstaatswet 1900 wordt gelijkgesteld met een gedoogplicht als bedoeld in artikel 5.23 van de Waterwet.
-
Aanleg of wijziging van een waterstaatswerk. In artikel 5.24 gaat het om de plicht de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk te gedogen. Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 12 en 12 a in de Waterstaatswet 1900. De artikelen in de Waterstaatswet waren concreter dan het artikel 5.24. Dit laatste artikel heeft een bredere strekking wat betreft de aard en doelstellingen van de werkzaamheden. De doelstellingen van de Waterstaatswet betreffen de aan- en afvoer van water en de scheepvaart. De Waterwet breidt deze uit met de verbetering van de ecologische en fysisch-chemische kwaliteit van watersystemen. Onder werkzaamheden vallen ook het veranderen van de bedding of de oevers, bijvoorbeeld de aanleg van natuurvriendelijke oevers, en de aanpak van verontreinigde waterbodems. Deze gedoogplicht wordt opgelegd bij individuele beschikking. De beschikking moet ten minste twee weken voor aanvang van de werkzaamheden worden bekendgemaakt aan rechthebbenden (spoedeisende gevallen daargelaten). Tegen de beschikking staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
-
Meetmiddelen en permanente tekens. Artikel 5.25 betreft het gedogen van meetmiddelen en permanente tekens. Ook dit is een gedoogplicht ‘ex lege’, waarvoor geen beschikking nodig is. Dit artikel komt ongeveer overeen met artikel 10 Waterstaatswet 1900. In artikel 10 was ook opgenomen dat eigenaren en gebruikers van gronden elektrische geleidingen en al wat daarbij komt kijken moesten dulden. Deze regel is geschrapt in de Waterwet.
-
Afvoer of tijdelijke berging van water. Rechthebbenden in buitendijks gelegen gebied moeten wateroverlast of overstroming dulden. Waterbergingsgebieden zijn niet nieuw, maar wel voor het eerst wettelijk verankerd. Het is belangrijk om te weten dat een bergingsgebied op twee plaatsen moet worden aangewezen. Het gebied moet worden opgenomen in het ruimtelijk plan, zoals het bestemmingsplan, en in de legger op grond van de Waterwet. In sommige gevallen zijn inrichtingsmaatregelen nodig voor de goede werking van het bergingsgebied, zoals het aanleggen van een in- en uitlaatwerk. Ook voor inrichtingsmaatregelen kan een gedoogplicht worden opgelegd. De plicht de afvoer of tijdelijke berging van water te gedogen, is een wettelijke plicht. Hier hoeft geen aparte beschikking aan ten grondslag te liggen. Het gaat dus om een gebied dat is aangewezen als bergingsgebied of dat deel uitmaakt van een oppervlaktewaterlichaam dat onder water loopt.






